terug naar de plank

 

BREMEN IS ROTTERDAM

 

 

 

 

 

Bijdage aan het eerste nummer van de eerste jaargang van 'De Kronieken' (verkenningen van een biotoop), uitgegeven door Ove Lucas met een oplage van 250 ecxemplaren waarvan 99 genummerd. Rotterdam - Lente 1994

 

Bremen is Rotterdam. Wie het centraal station aan de voorzijde verlaat, betreedt het stationsplein. Het postkantoor met de afdeling expeditie heeft u aan uw linkerhand. Wie vervolgens in zuidelijke richting loopt, bereikt na enige tijd het water. U bevindt zich dan op de noordoever van de van links naar rechts stromende rivier, waaraan deze stad haar bestaan en faam te danken heeft. De waterstand in deze rivier vertoont een afgezwakte vorm van eb en vloed door de open verbinding met de, grofweg 60 kilometer stroomafwaarts, respectievelijk afdruipende en aandringende zee. Kijkend in de westelijke richting ziet u op beide oevers de hijskranen van het havengebied boven de bebouwing uitrijzen. Aan uw linkerhand ligt een brug die, na een hink-stap te hebben gemaakt op een eiland midden in de stroom, de noord- met de zuidoever verbindt. Op de zuidoever ziet u de panden oprijzen van de bierfabrikant wiens produkten tot ver buiten de regio bekendheid genieten. Ik bevind mij in de galerieruimte van het 'Künstlerhaus' Am Deich in Bremen, waar ik al enige tijd werk aan de uitvoering van mijn project Reederei SCHALKS (Übersetzungen). De vensters bieden uitzicht op de gebouwen waarin Becks bier wordt gebrouwen. Ik ben bezig een roeiboot te bouwen die, over het water van de Kleine Weser, een veerdienst zal onderhouden tussen de galerie waarin ik mij nu bevind en het, op de andere oever gelegen, Neues Museum Weserburg. Een traject, vergelijkbaar met dat, over het water van de Maas, van de linker Maasoever naar het Noordereiland.

Mijn keukenraam kijkt uit op de invallende schemering. Aan de lichtende schuimkoppen op de golven van de Nieuwe Maas te oordelen, spookt het buiten. In mijn woning in Rotterdam is het onmogelijk voorbij te gaan aan de buiten heersende weersomstandigheden. Als het stormt, fluit mijn woning. Als het regent, drupt zij. Als het vriest, klappertandt haar bewoner. In het slechtste geval loopt het uit op een jam-session. Het stoken eist voortdurende aandacht. Zowel het toevoeren als het onthouden van brandstof aan de immer gretige allesbranders leidt tot een gedwongen werkonderbreking. Warmte en concentratie verlaten het lichaam via de voetzolen.

Het is dan ook een ongekende luxe te verblijven in een ruimte waarin voornoemde ongemakken geen rol spelen: de in de gastenwoning en werkruimte aangebrachte Heizkörper vergasten lichaam en geest op een klimaat met een ideale bedrijfstemperatuur. Hoe efficiënt kan men werken in een situatie waarin men, na het ontwaken, niet eindeloos hoeft te choken om het denkproces op gang te brengen. Wat een rendement als pril gedachtengoed niet smoort in de gevolgen van een slecht trekkende kachel. Bremen is niet Rotterdam.

Ik ben hier gekomen om te vertalen en daarmee vul ik mijn dagen. Ik vertaal wat ik denk in het Duits. Ik denk een bootje van triplex en vurehout en noem het 'Fähre'. Een bootje met die naam zal binnenkort personen over het water zetten. Intussen maakt het vertaalpontje in mijn hoofd overuren bij het overbrengen van boodschappen van het Nederlandse naar het Duitse taalgebied en vice versa. Niets wordt onderschept, niets uit de vaart genomen. Voort woekert mijn geest in de galerieruimte.

Bremen is ongestoord werken. Eén van de weinige signalen uit de buitenwereld die erin slagen tot binnen door te dringen, is het geweld van de sloop van een achter het Künstlerhaus gelegen betonnen fundering. Het effect van die werkzaamheden wordt vertaald in glasgerinkel in mijn keukenkast. Die avond verneem ik telefonisch dat men op de Keileweg is begonnen met de sloop van het gebouw van Kaus Australis. Het moet wijken vanwege de lang bevochten, omstreden verplaatsing van de tippelzone van de G. J. de Jonghweg naar ons terrein aan de Keileweg. De volgende morgen begeef ik me naar de Bahnhofsbuchhandlung om het Algemeen Dagblad van gisteren aan te schaffen. Ik hoop daarin beelden aan te treffen die het verslag van gisteravond illustreren. Vergeefs. Geen bericht, geen foto. Ik verlaat het stationsgebouw aan de achterkant. Aan uw rechterhand bevinden zich de burelen van collega-rederij Hapag-Lloyd.

Moeiteloos boven alle daken uittorenend loopt de 'Hoechst Express' de Rotterdamse haven binnen. De containergigant hangt aan een driepuntsjarretelle van sleepdienst Smit die moet voorkomen dat het gevaarte de Nieuwe Maas afzakt. 'Hapag Lloyd' is met meer dan mansgrote letters op de flank aangebracht. 'Hamburg' vermeldt de achtersteven als thuishaven van het monstrum. Reeperbahn, Geileweg. Na voortdurend uitstel is 5 april 1994 gekozen als definitieve datum voor de openstelling van het lustparcours.

Een dag voor de feestelijke tewaterlating van de veerpont en de opening van het veer druppelen vrienden en genodigden uit Rotterdam Bremen binnen. Zondag is de dag van de opening. Bij een temperatuur die ver beneden het vriespunt ligt, doopt -'on the rocks'- mijn moeder het vaartuig. Vervolgens wordt het de landingstrap afgedragen om, in een wak in het ijs, tewater te worden gelaten. Rotterdam hakt in op het ijs dat de pont het varen belet óf Rotterdam zingt zeemansliederen om diegenen die op het ijs inhakken te ondersteunen óf Rotterdam moedigt de moedigen aan óf Rotterdam is er gewoon. Rotterdam is in Bremen.

Maandag en dinsdag maakt ijsgang het mij onmogelijk over te zetten. Een dag later kan ik de oevers - zij het via een omweg - met elkaar verbinden. (Zo vergaat het de vertaler vaak ook.) De dag erna en de daaropvolgende dagen ben ik in staat het traject tussen beide haltes af te leggen langs een elke dag rechter wordende lijn.

Een ieder die getuige is geweest van mijn overtochten zal beweren dat ik steeds de Kleine Weser ben overgestoken. Niemand zal hebben vermoed dat het in gedachten telkens de Nieuwe Weserweg was, die ik overstak.