--------------------------1

Dikhuid heeft:
1. - mij z'n linker-vooronderpoot als opstap aangeboden.
2. - mij met z'n slurf over 't paard getild.
3. - met z'n getetter de oren van m'n ming kopje geluld.
4. - de deur van de porseleinkast uit z'n hengsels gelicht.

En vergeten, ho maar!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

--------------------------2

Alvast wat data-verkeer: sinds 1947 kan het geoefend oor de bytes horen na-nullen in aap noot mies. Sinds 1839 vindt de wisselwachter altijd wel een kapstok om zijn schuiffluit aan te hangen. Sinds 1835 verbinden relais  tegen elk aannemelijk bod de levenden met de dood. Als het genie zo onnozel is waarom dan niet als de bliksem het geweten omgepoold?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

--------------------------3

Je mag met veel misbaar voor een willekeurige plas als een onwillige koter in het zand zetten je hakken ik help je eroverheen. Beschouw hem als een blinkende spatie in je glanzend betoog. Stampvoet desnoods om wat spiegel te breken met de messcherpe scherf snij ik –erewoord– later de hechtingen uit je spagaat. Maar willen we dat voor onze neus in ‘t slot valt het eind en ‘r de knip op gaat? Nou dan!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

--------------------------4

Ontstemd strooit de klokkenluider pekel op de brug tussen bultrug en rugbult; geen krimp geen speld te krijgen tussen de forse winterfikken die achter ons het spekglad dek en de afgelegde weg weer opdraaien; geen kik zij het, gespitst, die speld te horen vallen aan gene zijde of dat te menen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

--------------------------5

Het blijft kil in die winterjas van u ondanks die vlammen uit uw flank en die gloed van uw tong. Terwijl de koster slist met een mond vol tanden de collecte afroomt en de plaat poetst kla-k ik in mijn handen en warempel vleesgeworden hikt uw mirakel in hink-stap-sprong via het middenrif van uw dom.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

--------------------------6

De aard van de geest valt moeilijk af te leiden. Hij koert in een nachthok buiten de tijd en manifesteert zich sporadisch als een ongelukkig geloste doffer die de schone lakens aan de lijn veelbetekenend onderschijt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

--------------------------7

Mijn ruimhartige stolp biedt plaats aan moten buitenaf: van groene loten tot korte lontjes. Lang leve het hersenvlies dat stootkussend klotsend het hoofd biedt aan terugwerkend onrustig gedonderjaag.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

--------------------------8

Sorry dat ik teruggrijp op uw houdgreep maar niet iedereen laat zich zomaar vatten bij kop en kont. Heeft u bij het wederhoor mijn timbre gestoord? Heeft de adel van mijn woordkeus u ontriefd? Is u na afloop van mijn vlucht niet opgevallen hoe ik van landen weet? Vandaar meneer de uitsmijter met enig aandringen nogmaals mijn vraag:

"Is uw dichtgesmeten deur dichter dan de deur die gewoon gesloten wordt?"