MARTHE, een steenkoolOPERA

Kameropera van Willem Dragstra (1956) op tekst van Ger Bertholet, gecomponeerd in opdracht van het Fonds voor de Scheppende Toonkunst.

Steenkool- / Steenkolen-

...ader, ...as, ...bedding, ...bekken, ...briket, ...depot, ...energie, ...engels, ...gas, ...groeve, ...gruis, ...handel, ...handelaar, ...houdend, ...industrie, ...korst, ...laag, ...long, ...leem, ...loods, ...magazijn, ...mijn, ...ontginning, ...periode, ...productie, ...teer, ...veld, ...verbruik, ...vorming, ...wagen, ...wasserij, ...werker, ...winning, ...zwart,

Dit is de wereld van Marthe. De bewoners van deze opera zitten tot hun nek in de Steenkool. Dat is raar, want die steenkool is nergens te bekennen. Hij is hun afgenomen. De laatste mijn is al een tijd geleden gesloten. Schoorsteen, koeltoren en schachtgebouw zijn vakkundig gesloopt. Maar het motorische geheugen laat de bewoners van dit gebied nog om de verdwenen gebouwen heenlopen, laat ze bij felle zon de schaduw zoeken van de loods die er niet meer staat. Het zijn verdwaalden, geïsoleerden in een wereld die alleen in hun herinnering nog leeft. Niet begrepen door hun kinderen, genegeerd door de 'nieuwkomers'.

 

Marthe werd in 1995 gecomponeerd en nog voor de eerste noten konden klinken, kwam in 2002 de herziene versie tot stand. Dit typeert de muziek van de Nederlandse componist Dragstra die een rusteloos zoeken uitdrukt: voortsnellende stemmen die plotseling tot stilstand komen en dralend wachten om er weer van door te gaan. Citaten van muziek-stijlen die hij als kosmopoliet overal in de wereld ondervond, eigenzinnige instrumentatie en een ongebruikelijke rolverdeling (zeven vrouwen en één man) leveren een niet zondermeer onder te brengen muziekwerk op. De nog nooit uitgevoerde noten op flarden impressionistische teksten van Ger Bertholet inspireerden David Prins tot een heel eigen kijk op de vergane en toch levende wereld van de mijnen in Zuid-Limburg. Marthe, het kind van de rekening, wordt gevolgd in scènes die niet op het eerste gezicht &endash; en theater is niet meer dan een 'eerste gezicht' &endash; in causale verhouding tot elkaar staan. Iedere scène geeft een beeld van Marthe en haar omgeving. Ook muzikaal is dit tot uitgangspunt gemaakt. De muzikale leiding is in handen van René Gulikers. Voor de vormgeving van de reeks losse, sterk vergrote beelden werkt David Prins samen met beeldend kunstenaar Arnold Schalks en kostuumontwerpster Marrit van der Burgt. De eerste twee voorstellingen zijn op locatie in het Glaspaleis en er volgens nog 7 voorstellingen in schouwburgen en theaters.

 

Het Glaspaleis (zie affiche boven) werd in 1932 ontworpen door Frits Peutz (1896-1974). De ontwerpen van deze Nederlandse architect die inmiddels in één adem wordt genoemd met Le Corbusier en Walter Gropius, waren hun tijd ver vooruit en omstreden. Uit het oeuvre van Peutz spreekt ambachtelijke overlevering, maar ook een hardnekkig gevoel voor nieuwe materie. Het ontwerp van Peutz laat aan de buitenkant geen dragers zien, maar biedt een eerlijke kijk op de constructieve binnenkant. De witte paddestoelzuilen vormen het imponerende binnenwerk van het Glaspaleis. Het doorgaande transparante omhulsel ervan sluit met grote glazen gevelvlakken op elkaar aan. Het Glaspaleis vertelt de nieuwste geschiedenis in glas, staal en beton. Na de ingrijpende restauratie moet het gebouw hèt cultureel centrum van Heerlen en Parkstad Limburg worden.