TRANSCRIPTIE van de voorgelezen tekst
Zondag 16 oktober 2005. Het is kwart over zeven. Ik bevind me in een stukje Canada in Rotterdam, in de woning van Yvette Poorter aan de Harddraverstraat: This Neck of the Woods. Ik ben al eens eerder in Canada geweest, twee decennia geleden, in het kader van een uitwisselingsprogramma van de stichting Kunst en Complex en kunstenaars uit Winnipeg. Tijdens mijn verblijf in Canada verbleef ik verschillende keren in het buitenhuis van de familie Loewen aan Lake of the Woods. Het leekme een goed idee om een fragment voor te lezen uit het dagboek, dat ik aan deze reis heb gewijd — het dagboek heet ‘The A of Canada’. Dit is een fragment over onze reis naar Lake of the Woods, naar het buitenhuis van de familie Loewen.
Fragment 1
27 mei 1995.
[...] We rijden een onontdekte provincie binnen: 'Yours to discover' is het motto op de kentekenplaten van Ontario. Als we de afslag Kenora nemen komt ons op de vluchtstrook spooklopend een vos tegemoet. De wegen worden slechter. De weg duikt en steigert, de bus stuitert. Moeras wisselt stuivertje met woud. Het traject doet denken aan een achtbaan. Soms, als het wegdek wasbord wordt, dreigen de vibraties in de auto ons het glazuur van de tanden te klapperen. We kruisen een waterscheiding met een portage, een kabelbaan om boten over te dragen. Op een open plek aan een baai parkeren we de auto's en laden de bagage in de motorboot van Louise L.'s ouders. De groep zal in twee gedeeltes naar de hut worden gebracht.
De Mercury buitenboordmotor wil niet starten. Op de eerste verdieping van een nabijgelegen huis wordt een raam opengeschoven. Een man geeft luid instructies waarvan de strekking verloren gaat in het zwoegen van de startmotor. Het is Bruce, Make-A-Buck-Bruce, de ongekroonde opzichter van de Lake of the Woods. Als de smook rond de gestarte motor is opgetrokken worden Maik, Marieke, Louise L., de peuters Lola en Zona, de hond Bucky, ik en een deel van de bagage als eersten overgezet. Kanoërs leggen hun vaartuig dwars op de golven die wij maken. In de verte ligt, half in het bos verscholen, de hut. Het collosseum van Loewen.
We meren aan en beklimmen het pad dat naar de hut leidt. We komen langs een barak die als onderkomen heeft gediend voor de bouwvakkers toen de hut nog in aanbouw was. De hut overtreft onze stoutste verwachtingen. De hoge binnenruimte biedt alle aanwezige geesten de kans ongestoord te waaien. De uitrusting evenaart met gemak hetgeen ons in Winnipeg ter beschikking staat. Louise L. ontwierp het gebouw dat vrijwel geheel uit cederhout is opgetrokken. Het bestaat uit een ruim middenschip met insteekverdieping. Een boom die er eerder stond steekt door de vloer van de aangebouwde mugdichte veranda en opent zijn kruin boven het balkon. Centraal in de hut staan vier ter plaatse gekapte boomstammen, die het dak schragen. Bucky is hier thuis. Ze neemt me mee uit wandelen, verdwijnt ritselend in de bosjes en verschijnt met de schedel van een hert in haar bek. In de schemering installeer in mijn bivakzak naast de hut op zachte grond. Aan de ceder waaraan ik aanleg hangt een nylonkous met kamferballen tegen de beren.
Fragment 2
28 mei 1995
Af en toe steekt Bucky haar snuit in de vulopening van mijn sponde om te zien of ik al wakker ben. Was ik eerst van plan de zonsopgang bij te wonen, slaapdronken prefereer ik het lieve voorgeborchte achter mijn gesloten oogleden. In de hut is het een drukte van belang. Louis Ogemah is de één van de weinige Canadezen die goede koffie kunnen zetten. In de grill bakt een pan met 'Big Dutch Babies': brooddeeg met ei, kaas en uien.
Ik besluit met Louis en de hond het eiland te verkennen. Louis is van origine Ojibway. Hij is beter thuis in de natuur als ik, ook al is hij, zoals hij het noemt, een city boy. Hij wijst een kolibrie aan die zich met transparante vleugelslagen van bloem naar bloem spoedt. Hij herkent het trommelend geluid van paarlustige patrijzen. Hij doet het voor, slaat zich op de borst.
Het eerst duidelijk te onderscheiden pad wordt alsmaar minder duidelijk. Soms volgen we een moeilijk begaanbare wildbaan. Soms staan we stil en speculeren we over de te volgen weg door het onderhout. Twee keer werd het woud tot een adempauze gedwongen: Op een gekapt perceel, Lot 15, besluiten we een korte pauze in te lassen. We eten fruit en zaden op de steiger van de in aanbouw zijnde hut. Een passerende speedboot merkt ons op, mindert snelheid en vaart op ons af. Een man vraagt over stuurboord wie we zijn, wat we op de steiger doen, waarom we bestaan. Hij heeft recht op een eerlijk antwoord. In dit gebied vallen kapitalen te verdienen en te verliezen. Wat de Indiaan of de Hollander niet lukt, lukt de hond wel: De man herkent Bucky en concludeert dat wij goed volk zijn. Hij draait bij, groet en vervolgt zijn weg: Bruce. Riemke, Jeannette en Lori peddelen de hoek om en komen met hun kano langszij. De patrouilleboot houdt ten tweede male in. Bruce voelt zich verplicht ons over bakboord te informeren over het risico van onze pauze: Als de eigenaar van het perceel ons op zijn steiger aantreft, zou hij best wel eens op ons kunnen gaan schieten.
Louis beklopt op de terugweg de berken. Hij zoekt berkebast voor de installatie waaraan hij momenteel werkt. Eén van de onderdelen is een fotoalbum met pagina's van berkebast. Hij heeft me de deels vergeelde opnames van zijn familie zoëven op de steiger laten zien. Hij heeft een geschikte boom gevonden. Ik reik hem mijn opengeklapte zakmes aan. Alvorens met het verwijderen van de bast te beginnen neemt hij een plukje shag uit een meegebracht zakje. Hij verstart een moment met de tabak in zijn rechterhand. Hij legt de tabak aan de voet van de boom. Het dient om de geest van deze boom te schadeloos te stellen voor het verlies van een deel van zijn bast. Hij maakt een verticale snede in de boombast. Hij snijdt nogmaals. Als hij door de derde laag heensnijdt, springt de bast open, lost zich vanzelf van de stam. Met horizontale snedes rondom verdeelt hij de bast in stroken en wikkelt ze van de stam af. We volgen een hertespoor. Louis vindt één tak van een hertegewei. We kammen de omgeving uit naar de tweede, maar lopen naar alle kanten vast in het struikgewas. We vinden de plek waar Bucky haar schedel vond: Een paar vierkante meter bosvloer bedekt met hertehaar. Op het heupbeen na vinden we van de prooi niets terug.
Maik bedient de schommel waarop Lola zit. Lola laat zien dat ze het ook staand kan. In de hut heeft Louise koekjes gebakken en Zona een kind gekregen. Heel voorzichtig licht ze de deken op om te laten zien wat zich vanochtend nog in haar buik bevond.
Op de kanosteiger schrijf ik aan mijn dagboek. In de verte vist een looney: een zwarte kop en een verenpak als een testbeeld. Telkens als hij opduikt draait hij zijn kop in mijn richting. Het water parelt langs zijn veren. Ik bevind me achter mijn verrekijker. Telkens moet ik over het beperkte blikveld van mijn kijker heen kijken om te zien waar hij opdook. Steeds langer worden de tussenpozen tussen duiken en opduiken, tot ik hem kwijt ben. Hij is me uit het oog verloren. Het lage oog van de zon vangt libellen en muggen, die dansen als ze niet zijn geland en zich laven op mijn ontblote armen.
Na het avondeten maakt Louis een kampvuur. Boven ons gaat de zaal open. Mercurius bijt het spits af. Verblind door de vlammen zijn de lichtzwakkere opkomsten niet waar te nemen. Ik vertrouw erop dat vannacht alle sterren present zijn. In de bast van het brandhout ontstaan gaatjes waardoor rook ontsnapt, kleine schoorsteentjes. Forse bosmieren nemen de benen, laten hun rokende fornuizen achter. De verhalen over persoonlijke ervaringen met het bovennatuurlijke combineren voortreffelijk met de klagelijke roep van de looneys. De helverlichte voorzijde van de hut hangt als een lampion tussen de bomen en verlicht onze gang naar bed. [...]