|
< VORIGE PROJECT
|
VOLGENDE PROJECT >
|
Informatie over de plaatsing van vijf 'Stolpersteine' voor de voormalige bakkerij van de Joodse familie Weijl aan de Kloksteeg 3. Verschijningsdatum: vrijdagmiddag 26 maart 2021, Leiden.
In 1994 bedacht de Duitse kunstenaar Gunter Demnig het project ‘Stolpersteine’ (vertaald: ‘struikelstenen’). Je zou de plaatsing van struikelstenen kunnen zien als een late verzetsdaad, om – met terugwerkende kracht – het werk van de nazi’s, die dachten dat ze hun ongewenste medemens voorgoed konden uitwissen, alsnog ongedaan te maken. De vierkante steentjes hebben bovenop een goudkleurig metalen plaatje. Daarin zijn de namen gegraveerd van de mensen die niet vergeten mogen worden, met hun geboortedatum, hun sterfdatum en de naam van het vernietigingskamp waarin ze werden vermoord.
De letters op de stenen zijn expres klein gehouden, en alleen leesbaar voor degene die zich ernaartoe buigt. Door die buiging toont de lezer automatisch respect aan de genoemde persoon. De struikelstenen zijn symbolische obstakels. Ze doen een beroep op ons gemoed, dat onze – relatief ongestoorde – gang door het leven heel eventjes hinderlijk onderbreekt. De struikelstenen waarschuwen ons dat we het in ónze tijd niet mogen toestaan dat gruweldaden als die van de nazi’s zich waar dan ook herhalen.
Op vrijdagmiddag 26 maart 2021 werden rond 3 uur ‘s middags vijf struikelstenen geplaatst voor een huis in de Kloksteeg. Daar woonde ooit de joodse bakkersfamilie Weijl. In de Tweede Wereldoorlog werden vijf van de zes gezinsleden door de nazi’s opgepakt, weggevoerd en vergast.
Tweemaal vormde de pandemie een hobbel op het struikelsteenparcours. Was het oorspronkelijke plan, dat Gunter Demnig de vijf Stolpersteine op zaterdag 14 november 2020 ‘s morgens om 9 uur in de stoep voor het huidige restaurant ‘de Klok’ zou komen leggen, op 5 oktober 2020 besloot Demnig - vlak voor zijn 73e verjaardag - zijn reis naar Nederland vanwege gezondheidsrisico’s af te zeggen. Het op later datum inhalen van de afspraak bleek geen optie, omdat zijn plaatsingsagenda voor 2021 al volgeboekt was. De steenlegging zónder Demnig, maar met 30 genodigden werd verschoven naar zondag 14 februari 2021. Helaas stak corona ook daar een stokje voor.
Op 10 november 2020 ontving ik de vijf struikelstenen per post. Om te voorkomen dat het zwerfstenen zouden worden, die na een omweg ongewild in de wachtstand zouden belanden voor ze in Leidse bodem tot rust konden komen, koos ik voor een steenlegging zonder ‘publiek’.
Als er één alternatieve datum voor plaatsing in aanmerking zou komen, dan wel vrijdag 26 maart 2021. Op die dag was het precies 78 jaar geleden dat Helena, Joseph Michael, Judith en Alida (zus Hanna is hen drie en een halve maand eerder in Auschwitz voorgegaan) in Sobibor hun levens verloren. Door de stenen op die dag te leggen, gaven we de zinloze ongerijmdheid van hun lot een suggestie van rijm, en bundelden we hun verstrooide licht tot één enkele baan koperglans.
Ik zal proberen om Helena, Joseph Michael, Judith, Hanna en Alida Weijl, van wie het bestaan in de vernietigingskampen werd uitgewist, aan jullie voor te stellen. Dat is niet eenvoudig. De nazi’s zijn grondig te werk gegaan, want mijn zoektocht naar sporen van de Leidse bakkersfamilie Weijl heeft weinig opgeleverd. De gegevens, díe ik over de familie heb kunnen vinden, komen uit de archieven van Erfgoed Leiden en Omstreken. Het meeste kwam ik te weten over hun broer Louis Weijl, het enige gezinslid dat uit handen van de Duitsers wist te blijven, de oorlog overleefde en in vrijheid stierf. De levensbeschrijving van Louis’ verdwenen broer en vier zussen zit echter vol gaten, die waarschijnlijk nooit zullen worden gedicht.
Het verhaal van de Joodse bakkersfamilie Weijl begint in 1879. In dat jaar verhuisde de 25-jarige vrijgezel Michael Joseph Weijl van het Gelderse Lochem naar Leiden. Hij huurde er de bakkerij in de Kloksteeg nummer 3 en plaatste op 26 april 1880 zijn eerste advertentie in het Leidsch Dagblad, waarin hij zichzelf ‘minzaam aanbeveelt tot het leveren van brood, beschuit en zoetgoed, belovende een solide en prompte bediening.’
Twee jaar later was Michael Joseph Weijl voldoende geaard om de 28-jarige Klaartje Kan uit Meppel naar Leiden te halen. Hij trouwde met haar en kocht de bakkerij met woonhuis, kadastraal bekend als Sectie G, nummer 552, groot 93 ca. voor fl. 4.060,–. Het echtpaar trad toe tot de kleine Nederlands-Israëlietische Gemeente Leiden. Op sjabbat baden ze in de synagoge op het Levendaal.
FAMILIEBEDRIJF
Michael en Klaartje stichtten een gezin van zes kinderen: vier meisjes en twee jongens. In chronologische volgorde: Helena (1882), Louis (1884), Joseph Michael (1885) Judith (1886), Hanna (1889) en Alida (1892). De kinderen werden opgevoed volgens de Joodse traditie maar alleen Louis werd bar mitswa. Zodra de vier oudste kinderen de lagere school hadden afgemaakt en hun leerplicht verviel, werden ze van school gehaald om mee te helpen in de bakkerij. Van de jongens Louis en Joseph Michael werd verwacht dat ze het bakkersvak in de praktijk zouden leren, zodat ze later het familiebedrijf konden overnemen. De meisjes Helena en Judith hielpen met bedienen in de bakkerswinkel. De jongste dochters Hanna en Alida – die kennelijk wel mochten doorleren – hielpen buiten schooltijd met het klaarzetten van het bestelde brood en banket, zodat de bakkersleerlingen ze later per fiets konden bezorgen.
Zowel het brood als het banket vond gretig aftrek bij de burgerij. Klanten konden zich dagelijks verlustigen aan de achter de winkelruit van de firma M. J. Weijl & Co uitgestalde boterkoek, boterletters en superfijne boterkransjes – allen met zuivere roomboter bereid – aan Arnhemse meisjes, Janhagel, Parijse roomsoezen, aan Julianakoekjes, citroenkoekjes, eier- en theekoekjes of bitterkoekjes, aan cocosnootkransjes, kletskoppen, tulbanden, appelbollen, vanille spritsen of slagroompunten. Het periodieke aanbod van de bakkerij bestond uit eigen fabrikaat matzes, crackers en paasbrood. De jaarlijkse Sinterklaas-etalage met fijn gekruide St.-Nicolaas, banketstaven met een kern van prima amandelspijs, speculaaspoppen gevuld met amandelen en sukade, chocoladeletters in melk en puur van Droste, marsepein en tongstrelende borstplaat van Pel was een trekpleister voor jong en oud.
GEMBERBOLUSSEN
Naast brood verkocht de bakkerij opvallend veel met gemberstroop gezoete bolussen, vooral aan Leidse studenten.
De populariteit van dat gebak onder studenten is te verklaren, doordat de Leidse schrijver Klikspaan ooit in de inleiding van zijn boek ‘Studententypen’ beweerde dat de bolus ‘de enigst mogelijke versnapering in de pauzes tussen de colleges’ is. De bolussen van Weijl werden op de Nationale Bakkerijtentoonstelling bekroond met een zilveren medaille. Vader Michael Joseph maakte van die bekroning gebruik om het alleenrecht te bedingen op de levering van ‘echte’ bolussen op het 30ste Letterkundig Congres in de sleutelstad. Hij verdedigde zijn monopoliepositie zelfverzekerd met de bewering dat alle andere bolussen dan die van Weijl ‘beslist namaak zijn.’ Ze werden inmiddels in postkistjes verzonden naar binnen- en buitenland. Toen Hare Majesteit de Koningin Wilhelmina een trommeltje van het banket bestelde, mocht Michael Joseph Weijl zich met recht Hofleverancier noemen.
DROMEN EN DADEN
Zoon Joseph Michael was een vlijtige leerling die aanleg én zin had om zijn vader op te volgen. Zijn één jaar oudere broer Louis was minder enthousiast over dat toekomstperspectief. Zijn droom was het, om advocaat te worden. Louis wist dat hij daarvoor naar de universiteit moest. Iemand met alleen het getuigschrift van de lagere school, zoals hij, maakte geen kans om daar te worden toegelaten. Toch gaf de zwaar bebrilde Louis zich niet gewonnen. Hij besteedde al zijn vrije tijd – vaak ’s nachts – om zich voor te bereiden op het staatsexamen, waarvoor hij moest slagen om aan de universiteit te mogen studeren. Twaalf keer liet de staatsexamencommissie hem zakken op een onvoldoende voor meetkunde. De dertiende keer nam Louis een brief van professor Jan van der Hoeve, hoogleraar Oogheelkunde mee, die verklaarde dat Louis’ buitengewoon slechte ogen hem hinderden bij het oplossen van meetkundige opgaven, maar dat er aan z’n verstand niets mankeerde. Op zijn 37ste jaar mocht hij dan eindelijk met zijn rechtenstudie beginnen.
De oudste twee dochters Weijl zaten ook niet stil: Helena en Judith leerden zichzelf buiten werktijd het kleermakersvak aan. Toen ze vonden dat ze goed genoeg waren, richtten ze boven de bakkerij een ‘atelier tot het vervaardigen van dames-kostuums’ in en plaatsten ze een advertentie in de krant waarbij ze hun kleermaakkunsten als tailleuses aanboden. De zaken liepen zo goed dat ze aankomende naaisters en leerlingen aanwierven.
Het één na jongste zusje Hanna was ook een slimme meid. Na de lagere school leerde ze door voor makelaar. Toen ze haar opleiding had afgemaakt verhuisde ze naar Den Haag, waar ze werd beëdigd als Nederlands eerste vrouwelijke directrice van een makelaarsbureau. Dat nieuws was zo bijzonder, dat het de voorpagina van een landelijk dagblad haalde. Haar bureau ‘Woninggids Duinoord’ hield kantoor op de Koningin Emmakade 194 in Den Haag. Hanna was het eerste kind, dat het ouderlijk huis verliet.
Alida, de laatstgeborene, volgde na haar lagere school een opleiding tot accountant, behaalde haar diploma Stenografie en vond een baan als rijksambtenaar bij het Leidse belastingkantoor. Vier jaar later werd ze bevorderd tot Rijksklerk der 3e Klasse bij de Belastinginspectie in Haarlem. Een jaar later keerde ze terug als Schrijver der 1e Klasse op de 2e Afdeling Inspectie van het Leidse belastingkantoor. Ze bleef al die tijd in de Kloksteeg wonen.
HOE HET DE BROERS VERGING
Plaatselijke en landelijke arbeidswetgeving legden het bakkersbedrijf beperkingen op. Samen met broer Louis, die zich op zijn zolderkamer in de jurisprudentie had verdiept, trok Joseph Michael ten strijde tegen het gezag. De broers verdedigden de belangen van de luxe bakkerijen in de prijzenslag met de opkomende broodfabrieken. Via ingezonden brieven én in de rechtszaal legden ze de inconsequenties bloot van de Leidse verordening tot beperking van de nachtarbeid en de landelijke Zondagswet, die de Joodse bakker verbood op zondagen te werken. Het juridisch talent Louis wist er een voordeel uit te slepen: de firma M. J. Weijl & Co kreeg als enige Leidse bakker officieel toestemming om op zondagen brood en banket aan te bieden.
Toen vader Michael Joseph in 1908 onverwachts op 54 jarige leeftijd overleed, gedacht het Nieuw Israelietisch Weekblad hem als ‘een der trouwe dragers van het orthodoxe Jodendom, die zij zoo noode kunnen missen.’ Zoon Joseph Michael, 23 jaar oud, nam de bedrijfsvoering over. Hij liet de goedlopende bakkerij verbouwen en uitbreiden. De nog thuiswonende zussen Helena, Judith en Alida en broer Louis waren toen al zo druk met hun eigen zaken dat ze steeds minder vaak beschikbaar waren om een handje te helpen in de bakkerij. Om het bedrijf en het huishouden draaiend te houden nam Joseph Michael bakkersleerlingen en dagmeisjes aan.
Broer Louis ontpopte zich tot ‘dagbladschrijver’ en beheerde het Leids Correspondentiebureau voor Dagbladen. Voor het Nieuw Israelietisch Weekblad leverde hij stukken waarin hij aandacht vroeg voor het behoud van Joodse tradities. Hij maakte korte metten met een handelsreiziger, die in een ingezonden stuk toegaf dat hij onderweg – bij gebrek aan beter – zijn honger wel eens stilde met onrein brood. Maar Louis liet ook zijn progressieve kant zien. Hij leverde scherpe kritiek op het ‘nieuwe’ reglement van de Leidse Nederlands Israëlietische gemeente, dat de invloed van minder draagkrachtige leden op de besluiten van de kerkeraad inperkte.
Een jaar na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog trok Louis zich het lot van de Joodse weeskinderen in het door oorlog geteisterde België aan. Hij richtte het Joods Huisvestingscomité op, dat Belgisch-Joodse wezen naar Leiden haalde, om daar bij Joodse gezinnen te worden ondergebracht. In 1917 ging zijn initiatief op in het door het Amsterdamse opperrabinaat geleide Centraal Landelijk Comité voor het huisvesten van noodlijdende Joodse kinderen uit álle oorlogvoerende staten.
Op zijn vijfenveertigste slaagde Louis voor zijn doctoraal examen Rechten. Hij opende zijn eerste kantoor op de Breestraat 51a Leiden en trad op als verdediger in strafzaken en curator bij faillissementen. Hij verhuisde zijn praktijk twee maal: de eerste keer naar de Breestraat 123a en tenslotte naar de Apothekersdijk 4. Toen Louis in 1932 met de 14 jaar jongere Litouwse Anne Gertrud Wittkus trouwde, zocht het paar een woning in Den Haag. Louis was, na Hanna, het tweede kind dat het ouderlijk huis verliet.
HET KWAAD WERPT ZIJN SCHADUW VOORUIT
Op 30 november 1939 vierde bakkerij Weijl haar 60-jarig bestaan. De feestvreugde werd gedempt door de Duitse inval in Polen en de dreiging van een nieuwe wereldoorlog.
Het bange vermoeden werd werkelijkheid toen Duitsland op vrijdag 10 mei 1940 Nederland om vijf voor vier ’s morgens aanviel. Om de opmars van de vijand te vertragen, werd die avond de straatverlichting in heel Nederland uitgeschakeld. Het Nederlandse leger beet fel van zich af. Als straf voor die tegenstand bombardeerde de Duitse Luftwaffe vier dagen later Rotterdam. Nederland legde daarop de wapens neer. Voor de familie Weijl en de andere Leidse Joden brak een onzekere tijd aan. Er sloop wantrouwen in de gemeenschap. Sympathie en antipathie verdeelden de steeg. Een overbuurman van de Weijls bood zijn tweede etage te huur aan met de vermelding: ‘N.S.B.-er geen bezwaar.’
In augustus van dat jaar probeerde een NSB-er brand te stichten in de Leidse synagoge. Dat mislukte, omdat de politie van tevoren wist wat er zou gebeuren. Verdekt opgestelde agenten wachtten de aanslagpleger op en hielden hem aan. In een alsmaar vijandiger klimaat besloten de Weijls op hun tellen te passen, maar de dienstverlening aan hun afnemende, gemengde klantenkring ongewijzigd voort te zetten.
ANTI-JOODSE MAATREGELEN
In oktober 1940 kwamen de eerste beperkende maatregelen tegen Joden. Alle in overheidsdienst werkzame personen dienden een Ariërverklaring te tekenen, waarbij ze de vraag moesten beantwoorden of ze al dan niet van Joodse afkomst zijn. Of rijksambtenaar Alida de verklaring tekende, is onzeker. Zeker is, dat ze enkele weken later werd ontslagen bij de Belastingdienst. Lang hoefde ze niet naar alternatief werk te zoeken: als bedrijfsleidster van de bakkerij kon ze gelijk aan de slag. De Duitsers zetten hun zuiveringsplannen voort, door – ondanks het felle protest van de Leidse hoogleraren – alle Joodse medewerkers van de Leidse Universiteit te ontslaan.
Op 30 december 1940 plaatste Joseph Michael, als blijk van vertrouwen in de toekomst, een advertentie in het Leidsch Dagblad, waarin hij ‘Weijl’s Beroemde Gember- en Amandelbolussen voor Oudejaarsavond’ aanprees. Joseph Michaels optimisme bleek ongegrond. Om de Joden in het nieuwe jaar nog verder in het nauw te brengen werden ‘personen van geheel of gedeeltelijk Joodse bloede’ verplicht zich bij het bevolkingsregister te melden. Weigering werd opgevat en bestraft als een misdrijf. Op last van de Duitse Generalkommissar werden twee vette letters ‘J’ als brandmerk in de persoonsbewijzen van de familie Weijl gestempeld.
De oorlog was nog net geen twee jaar oud, toen op last van de Procureur Generaal begonnen werd met het plaatsen van borden met het opschrift ‘VERBODEN VOOR JODEN’ bij winkels, cafés, theaters, zwembaden en plantsoenen. Overtreders riskeerden een boete van fl. 1.000,– of een half jaar gevangenisstraf.
De volgende stap in het isoleren van ‘de Jood’ was, alle Joden boven de zes jaar te verplichten om op de openbare weg een duidelijk zichtbare gele Jodenster te dragen. Helena, Joseph Michael, Judith en Alida werden gedwongen zestien Jodensterren te kopen: vier per persoon. Nog geen twee maanden later mochten ze geen gebruik meer maken van het openbaar vervoer, ze mochten niet op bezoek bij niet-Joodse vrienden, geen gebruik maken van telefooncellen en moesten van acht uur ’s avonds tot zes uur ’s morgens verplicht thuis blijven. Doel van die ‘avondklok’ was om het oppakken van Joden tijdens die avonduren te vergemakkelijken.
Toen de bezetter in juli 1942 de Joden verplichtte al hun kostbaarheden aan de roofbank Lippman-Rosenthal & Co. af te dragen, begon de familie Weijl met het in bewaring geven van sieraden, bestek en meubilair maar ook contanten aan buren, bekenden en ex-collega’s van Alida bij de Belastingdienst. Omdat de firma M. J. Weijl & Co alleen nog mocht bakken voor de gestaag afnemende Joodse klantenkring kelderde de omzet en slonk het aanbod.
DRIEKLEUR
In het themanummer van Leids Jaarboekje over de tweede Wereldoorlog uit 1995 , haalde de Leidenaar Jan Sloos een jeugdherinnering op aan de bakkerswinkel, waarin we een glimp van Helena opvangen:
‘Soms wandelde ik met mijn vader over het Rapenburg naar de Joodse bakker Weijl in de Kloksteeg, waar oude vaste klanten steeds kleiner wordende gemberbolussen konden kopen. Ik verheugde mij daar altijd bijzonder op, want op de toonbank van de bakker stond een glazen stopfles, waarin rode, witte en blauwe (!) schuimpjes zaten. Van de vrouw van de bakker mocht ik altijd in de fles grijpen en zo veel schuimpjes pakken als ik in één hand kon houden. Meestal had er ik drie, maar als ik hard kneep waren het er wel eens vier.
Op een dag liep ik weer met mijn vader over het Rapenburg op weg naar bakker Weijl. Ik liep voor mijn vader uit de Kloksteeg in. Plotseling trok mijn vader mij terug het Rapenburg op. “Waarom gaan we niet naar de bakker?“, vroeg ik. “De bakker is gesloten”, antwoordde hij. Ik begreep niet waarom mijn vader huilde en wij nooit meer gemberbolussen gingen halen.’
KRANTZ KLIKT
Het net rond de familie begon zich in september 1942 te sluiten, toen de Leidse NSB-er Adriaan Krantz aan de Beauftragte für die Provinz Süd-Holland Ernst Schwebel meldde, dat hij over aanwijzingen beschikte, dat er in de bakkerij van Weijl geheime samenkomsten van de studentenvereniging Ondergrondsche Strijders voor Vrij Nederland zouden plaatsvinden. Zijn melding leidde tot meerdere huiszoekingen van de Sipo/SD in de bakkerij, maar bewijzen voor illegale bijeenkomsten werden niet aangetroffen.
In november 1942 vond Joseph Michael het verstandig om zijn tijdelijk overtollige speculaas-snijmachine elders in veiligheid te brengen.
HANNA WORDT OPGEPAKT
Op 21 november 1942 werd makelaarszus Hanna als eerste familielid in Den Haag opgepakt en naar het doorgangskamp Westerbork weggevoerd. Op 30 november werd ze op transport gezet naar het vernietigingskamp Auschwitz en na haar aankomst, drie dagen later, direct vergast. Op 4 januari 1943 ontvingen haar Leidse broer en zusters het bericht van de Joodse Raad, dat Hanna vanuit Westerbork op transport was gesteld, maar dat ‘Verder adres’ niet kon worden medegedeeld.
DE JACHT IS GEOPEND
In januari 1943 deed de verzetsman Frans van der Reyden een poging om Joseph Michael over te halen om met zijn drie zussen onder te duiken, maar Joseph Michael weigerde het aanbod, omdat hij dacht dat de oorlog snel voorbij zou zijn.
In de nacht van 5 op 6 maart 1943 vond de eerste razzia in Leiden plaats. Op last van het hoofd van de Sicherheitspolizei, SS-Sturmscharführer Fischer, werden 33 Joden aangehouden. Bij de tweede razzia, op woensdagmiddag 17 maart 1943, omsingelden 25 Leidse politieagenten om kwart over vijf het Leidse Joodse Weeshuis aan de Roodenburgerstraat. Onder leiding van de Duitsers werden 51 weeskinderen en 9 begeleiders opgepakt.
Diezelfde avond nog werkten Leidse politieagenten - twee aan twee - een lijst met ‘Joodse adressen’ af, om 41 niet-ondergedoken Joden, waaronder Helena, Joseph Michael, Judith en Alida Weijl op te halen. De arrestanten mochten hun laatste bezit in een rugzak, koffer of kussensloop proppen. Onder politiebewaking liepen ze met de andere opgepakte Joden via de Breestraat naar het station. Daar stonden oude wagons klaar met voor elke deur een agent van de Grüne Polizei om de ‘lading’ te bewaken. Pas na enkele uren werden de wagons aan een stokoude stoomlocomotief gekoppeld, die hen in de nacht van 17 op 18 maart afvoerde naar het doorgangskamp Westerbork.
Medewerkers van de Joodse Raad namen de gegevens op van de in Westerbork gearriveerde Joden. Ze werden overgetypt en opgeborgen in een kaartsysteem. Op de kaarten van de voormalige tailleuses Helena (Winkeljuffrouw Joods Lokaal) en Judith (Winkelbediening Joods Lokaal) stond onder het kopje ‘indruk’: ‘bij de hand’ vermeld. Of daarmee ‘vlug van begrip’ werd bedoeld of ‘vrijpostig,’ zullen we nooit weten. De familie werd in Barak nr. 68 ondergebracht.
SPOREN WISSEN
Louis Weijl’s echtgenote Gertrud Wittkus, die als niet-Joodse vrij mocht reizen, was op 17 maart 1943 aanwezig bij de aanhouding van haar zwager en haar drie schoonzusters in de Kloksteeg. Kort voordat ze werd weggevoerd, vertrouwde Alida nog aan Gertrud toe, dat een collega bij de Belastingdienst in het bezit was van een volledige lijst van de door de familie in bewaring gegeven goederen, inclusief de vermelding van de namen van de bewaarnemers.
Gertrud bracht de nacht van 17 maart alleen door op de Kloksteeg. Ze maakte de kachel aan om alle dozen waarin kostbaarheden verpakt hadden gezeten, en die de suggestie zouden kunnen wekken dat er nog waardevolle zaken in het huis waren, te verbranden. Nog voor het weekeinde werd de voordeur van het perceel Kloksteeg 3 op last van de Sicherheitspolizei verzegeld. De sleutels werden overgedragen aan de Einsatzstab Rosenberg, Jacob Mosselstraat 39, Den Haag.
POERIM 1943
Op zondag 21 maart 1943 vierden de gedeporteerden in de barakken van Westerbork Poerim, waarbij werd herdacht dat op deze dag het lot van het Joodse volk, dat ooit in ballingschap leefde in het Perzische Rijk, een wending nam en Esther het plan van de Perzische koning, ‘om te verdelgen, doden en uitroeien alle Joden, van knaap tot grijsaard, zelfs kinderen en vrouwen, op één dag’, wist te verijdelen.
OP TRANSPORT NAAR POLEN
Op dinsdag 23 maart 1943 werden 1.250 Joden – waaronder de familie Weijl en de kinderen en het personeel van het Leidse Joodse Weeshuis – in veewagens geladen. Vanuit Westerbork vertrokken ze naar het vernietigingskamp Sobibor in Polen, waar ze drie dagen later aankwamen.
Op vrijdag 26 maart 1943 werden Helena - 60 jaar, Joseph Michael - 57 jaar, Judith - 56 jaar en Alida - 50 jaar bij aankomst in de gaskamers van vernietigingskamp Sobibor vermoord. 271 andere Leidse Joden ondergingen hetzelfde lot. Na de oorlog zouden slechts 219 van de 490 Leidse Joden uit de Duitse kampen of de onderduik naar Leiden terugkeren.
LIQUIDATIE
Op zaterdag 27 maart 1943 belde de heer Teppema van de Haagse Meelcentrale de Politie in Leiden, met de vraag wat hij moest doen met de levering van toegewezen meel aan de firma M. J. Weijl nu het perceel aan de Kloksteeg gesloten was aangetroffen. Op 14 april 1943 liquideerde de Duitse roof-firma Omnia Treuhand GmbH de firma M. J. Weyl. Op 24 mei 1943 schreef het bevolkingsregister Helena, Joseph Michael, Judith en Alida af met bestemming Duitsland. Een nadere aanduiding ontbrak.
Hartelijk welkom allemaal in de Kloksteeg.
Dank, dat jullie gekomen zijn om – samen met mij – Helena, Joseph Michael, Judith, Hanna en Alida Weijl te herdenken.
Voordat ik begin, vraag ik jullie begrip voor de verwarring in mijn kort betoog. Toch pást die verwarring, als je de omstandigheden bedenkt, waarin degenen die we hier herdenken, ongewild terechtkwamen. Mijn gedachtengang maakt sprongen in ruimte en tijd, slaat zijwegen in, laat hoofdzaken en bijzaken stuivertje wisselen. Maar wees gerust, uiteindelijk houdt alles met alles verband.
Mijn naam is Arnold Schalks. Mijn relatie met de familie Weijl is een indirecte, maar geen toevallige.
13 jaar, 4 maanden en 11 dagen na de moord op de vijf mensen waarvoor wij hier staan, werd ik op het Pieterskerkhof nummer 2 – direct om de hoek van deze steeg – geboren. Ik leerde de geschiedenis van de familie Weijl kennen door het onderzoek dat ik deed voor een literair projekt.
Het Stolperstein-projekt is – net als zo veel van mijn projekten – een zijpad dat een hoofdweg werd. Mijn aanvraag voor de plaatsing van vijf Stolpersteine stamt uit 2018. Toen er, na een wachttijd van ruim twee jaar, een datum voor de steenlegging in zicht kwam, besloot ik om het Weijl-dossier weer eens op te pakken. Door het contact met verwanten kwam ik informatie op het spoor, die het beeld veranderden van de brave bakker, die als enige bakker in Leiden officieel toestemming had om op zondagen vers brood te verkopen.
Zo kwam ik erachter, dat er 73 jaar geleden – in 1948 – drie jaar na de bevrijding, een tribunaal plaatsvond tegen de Leidse lakenfabrikant en N.S.B-er Adriaan Krantz. Krantz werd beschuldigd van het leveren van uniformstof aan de Duitse weermacht en het verlenen van steun aan de vijand. Eén van de stukken die ter tafel kwamen was een brief, die Krantz in oktober 1942 stuurde aan de Duitse Rijkscommissaris. Daarin schrijft hij te weten, dat Leidse studenten en professoren, na de door de bezetter afgedwongen sluiting van de Universiteit, doorgingen met illegale colleges en examens. In zijn brief noemde Krantz nadrukkelijk de naam van Joseph Michael Weijl, in wiens huis de geheime samenkomsten zouden worden gehouden én het wachtwoord: "Alles sal reg kom”. De brief leidt tot huiszoekingen in het pand aan de Kloksteeg. (Klik voor meer informatie op de link 'Nader onderzoek' in het menu-venster links.)
300 jaar geleden was de, op zichtafstand van hier gelegen Leidse universiteit al een bolwerk van vrijheid. Het verlichte gedachtengoed van wetenschappers als Herman Boerhaave trok naar licht smachtende geesten uit alle windstreken aan. Eén van die geesten was de Franse student medicijnen Julien Offray De La Mettrie. Na bij Boerhaave in de leer te zijn geweest, keerde hij enthousiast terug naar Parijs, waar hij de verhandelingen van zijn leermeester in het Frans vertaalde en uitgaf, met als gevolg dat hij een carrière aan de Franse Académie wel op zijn buik kon schrijven. Ontgoocheld vertrok hij naar Leiden, waar eind 1747 zijn boek ‘L'Homme Machine’ oftewel ‘De Mens een Machine’ verscheen. ‘L'Homme Machine’ is een radicaal pamflet waarin De La Mettrie de toentertijds gangbare theorie dat dieren automaten zijn, doortrok naar de mens. Net als het dier is de mens een automaat, alleen is de Machinemens een beetje ingewikkelder. Omgekeerd, zo concludeerde hij, is de Machinemens tot elke dierlijkheid in staat. De reacties waren niet mals. De eerste druk van ‘l'Homme Machine’ belandde op de brandstapel en de uitgever moest voor de rechter verschijnen. De La Mettrie dook onder en vluchtte naar Berlijn.
185 jaar later, in 1933, stookte in datzelfde Berlijn een Machinemens een vuurtje op, dat hij en zijn 'bevel-is-bevel'-automaten zorgvuldig aanjoegen totdat zes jaar later de halve wereld in brand stond. Het is diezelfde Machinemens die het onbeduidende en marginale karrenspoor naar Auschwitz en Sobibor tot een hoofdverkeersader verbreedde.
Het is zuur, dat Joseph Michael in februari 1943 het aanbod van een verzetsman voor een onderduikadres voor hem en zijn zussen afsloeg. Hij was ervan overtuigd dat de oorlog snel voorbij zou zijn: ‘Alles sal reg kom.’ Maar het kwam niet reg.
Nu, na precies 78 jaar van stilte en kilte is het tijd voor spreekwoordelijke warmte. Vandaag brengen we de namen van de vier verdwenen zusters en hun broer onder in het woord ‘thuis’, en markeren we die plek met vijf symbolische obstakels die ons - en straks de passanten van de Kloksteeg - met onze hedendaagse doorgangsneuzen op de geschiedenis zullen drukken.
Telkens weer geschokt door het besef, dat ik inmiddels ouder ben dan zij ooit zullen worden, vraag ik jullie met mij te herdenken:
Helena Weijl - 60 jaar
Joseph Michael Weijl - 57 jaar
Judith Weijl - 56 jaar
Hanna Weijl - 52 jaar
Alida Weijl - 50 jaar
Mijn dank gaat uit naar de stratenmakers Wout Duijndam en Hennie Stouten, die de plaatsing van de stenen voorbereidden en afrondden, naar John van Velzen, Wijkbeheerder Cluster Beheer van de gemeente Leiden die knopen legde en doorhakte, naar Marvin van der Bent en Lars Mieremet van restaurant de Klok die de plaatsing van de steentjes in hun entree van meet af aan omarmden, naar Marieke Vos van Madame Marie die bijwoners van de steenlegging van koffie voorzag, naar Marjan en Iris Elsgeest: de gastvrouwen, die de toevallige aanlopers opvingen en tot slot naar de steenleggers Leo Levie, Liesbeth Molenberg, Cora Schmeiser en Ruben Levy.
'Joden in Leiden en omgeving 1933-1945', Leonard Kasteleyn. Catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling in de Lakenhal. Uitgave Stedelijk Museum de Lakenhal 2003
'Bagage – Leids monument voor de vervolgde en vermoorde joodse stadgenoten', Uitgave Primaverapers 2010. ISBN 978-90-5997-096-0
Reader voor educatief gebruik op scholen over de plaatsing van vijf struikelstenen voor Helena, Joseph Michael, Judith, Hanna en Alida Weijl voor de voormalige bakkerij aan de Kloksteeg 3 in Leiden op 26 maart 2021. Ringband, Laserprint, afmetingen (b x h): 297 x 210 mm, 9 pagina’s, 13 afbeeldingen, handgebonden. © 26 maart 2021, Arnold Schalks, Rotterdam.
Bijsluiter die werd uitgereikt aan bijwoners van de plaatsing van vijf struikelstenen voor Helena, Joseph Michael, Judith, Hanna en Alida Weijl voor de voormalige bakkerij aan de Kloksteeg 3 in Leiden op 26 maart 2021. Laserprint, afmetingen (b x h): 125 x 200 mm, 16 pagina’s, 1 afbeelding in kleur, 2 in zwart-wit, handgebonden. © 26 maart 2021, Arnold Schalks, Rotterdam.
Kort betoog dat werd uitgesproken bij de plaatsing van vijf struikelstenen voor Helena, Joseph Michael, Judith, Hanna en Alida Weijl voor de voormalige bakkerij aan de Kloksteeg 3 in Leiden op 26 maart 2021. Laserprint, afmetingen (b x h): 105 x 148,5 mm, 8 pagina’s, handgebonden. © 26 maart 2021, Arnold Schalks, Rotterdam.