|
< VORIGE PROJECT
|
VOLGENDE PROJECT >
|
Publicatie verstuurd aan de adressen van de 21 personen die op 26 maart 2021 de steenlegging bijwoonden van de vijf Stolpersteine voor Helena, Joseph Michael, Judith, Hanna en Alida Weijl bij de Kloksteeg nummer 3. Verschijningsdatum: 20 maart 2022, Rotterdam.
Rotterdam, 20 maart 2022
Vandaag is het precies een jaar geleden dat we vijf struikelstenen in de Kloksteeg hebben gelegd voor de familie Weijl.
Ook al is er dit jaar geen concrete bijeenkomst om de vijf Leidse bakkerskinderen te eren, we mogen hun 79ste sterfdag niet ongemerkt voorbij laten gaan. Daarvoor deze post.
In de enveloppe vind je een gedenkschrift waarin je - naast een inleiding over het struikelsteenparcours - de resultaten kunt lezen van het onderzoek dat ik in het afgelopen jaar naar de onzalige familiegeschiedenis verrichtte.
Als alles tijdig aangekomen is, worden op dit moment op 21 plekken in Nederland eenzelfde enveloppe met gelijke inhoud geopend.
Gezamenlijk leeswoorden aan elkaar rijgend knopen we een landoverspannend aandachtsweb waarin we de herinnering aan Joseph Michael, Helena, Judith, Hanna en Alida wiegen.
Begin maar.
Groet van Arnold
Het Stolpersteine-project voor de joodse familie Weijl uit de Leidse Kloksteeg is – zoals veel van mijn projecten – een zijpad dat een hoofdweg werd. Mijn relatie met de familie is een indirecte, maar geen toevallige: op het Pieterskerkhof nummer 2 – direct om de hoek van de steeg waar de familie Weijl tot 17 maart 1943 hun bakkerswinkel dreef – ben ik geboren. Ik leerde de geschiedenis en het onzalig lot van Joseph Michael Weijl en zijn vier zusters Helena, Judith, Hanna en Alida kennen door mijn onderzoek naar de Kloksteeg dat zijn beslag kreeg in de roman ‘Steeg, kroniek van een zere plek’ die in 2019 verscheen. Voor één van de personages staat Louis Weijl model, het enige kind van Klaartje Kan en Michael Joseph Weijl dat de Tweede Wereldoorlog overleefde. Toen ik op 5 februari 2018 bij de stichting SPUREN van Gunter Demnig een aanvraag indiende voor vijf Stolpersteine kon ik niet vermoeden dat het parcours naar de steenlegging zo’n bochtig en discontinu verloop zou hebben.
STRUIKELEN IN HINK-STAP-SPRONG
Het parcours naar een monument
De eerste verplichte stap in de aanvraagprocedure voor Stolpersteine was de zoektocht naar nabestaanden, die mogelijk bij het plaatsingsritueel konden worden betrokken. Die tocht leverde weinig op. Directe verwanten van de bakkerskinderen vond ik niet, want de in de vernietigingskampen omgekomen broer en vier zusters waren allen ongehuwd en het gemengde huwelijk van Louis Weijl met de Litouwse Gertrud Wittkus bleef kinderloos. Advertenties in Joodse dag- en weekbladen brachten me in contact met een handjevol indirecte, verdere verwanten, waardoor ik een bescheiden adreslijst kon opstellen van mensen, die aangaven bij de steenlegging aanwezig te willen zijn.
Ik nam de tijd om Marvin van der Bent en Lars Mieremet, de uitbaters van restaurant de Klok, die sinds 15 januari 2016 opereerden vanuit het pand van de voormalige bakkerij, van mijn initiatief op de hoogte te stellen. Ze omarmden de plaatsing van de steentjes voor hun entree van meet af aan.
DATUM IN ZICHT
Ruim anderhalf jaar verstreken totdat Anna Warda – die de activiteiten van Gunter Demnig coördineert – liet weten dat de steenlegging voor november 2020 op de planning stond. Een half jaar later was ze specifieker: de datum was bepaald op zaterdag 14 november 2020. Om 9 uur ’s ochtends zou de Kloksteeg 3 met vijf steentjes als eerste locatie aan de beurt zijn. Voor de voorafgaande vrijdagnacht moest voor Demnig een slaapplaats in Leiden gevonden worden. Remco Polman bood hem een gratis overnachting aan in zijn Boutique hotel Ex Libris, recht tegenover de plek van de steenlegging.
Omdat medewerking van de afdeling stedelijk beheer van gemeentewerken Leiden onmisbaar was, maakte ik een afspraak met de wijkbeheerder John van Velzen en stratenmaker Wout Duijndam om de locatie te verkennen en de technische voorbereiding te plannen.
Als organisator van een evenement in de openbare ruimte was ik tevens verplicht om aan formele eisen te voldoen. Bij het Bureau Evenementen Cluster Publiekszaken, Handhaving & Veiligheid / Team Vergunningen Openbare Ruimte van de Gemeente Leiden diende ik een vergunningsaanvraag in voor een ‘Evenement Stolpersteine-plaatsing’ met maximaal 30 genodigden. Daarbij hoorde een triage, de verplichting tot het dragen van mond-neusmaskers, de inachtname van het houden van 1,5 meter afstand en de tijdelijke afzetting van de steeg met dranghekken. Niet aangemelde gasten zou de toegang tot de steeg tijdelijk worden ontzegd. De gemeente Leiden verleende de vergunning, maar trok die twee weken later weer in vanwege de aangescherpte corona-maatregelen die bepaalden dat er in de buitenruimte hoogstens 4 mensen bijeen mochten zijn.
IN AFGESLANKTE VORM EN BESLOTEN KRING
Het was intussen oktober 2020 geworden toen Anne Thomas liet weten, dat de 72-jarige Demnig zijn reis vanwege Covid-19 naar het op de coronaschaal purper-rood gekleurde Nederland moest afzeggen. De vijf Stolpersteine zouden per post worden thuisbezorgd. Een steenlegging zonder Gunter Demnig’s supervisie had verder volgens plan plaats kunnen vinden, ware het niet dat we even later in een lockdown terechtkwamen. Er zat niets anders op, dan het ‘evenement’ te verplaatsen naar een dag in een mogelijk virusluwer tijd.
De gemeente honoreerde mijn op 9 november 2020 ingediende, aangepaste aanvraag voor een besloten doe-het-zelf–plechtigheid op zondag 14 februari 2021. Maar weer stak de pandemie een spaak in het wiel. De noodverordening die per 1 december 2020 werd afgekondigd, verbood het organiseren van alle evenementen. Volgens optimistische ingewijden hoefde er vóór 1 maart 2021 niet te worden gerekend op een versoepeling van het RIVM-regime. Nóg zuiniger profeten voorspelden een trage afschaling, die het ‘nieuwe normaal’ tot ver over drempel van de zomer van 2021 heen zou tillen. Om te voorkomen dat de vijf struikelstenen zwerfstenen zouden worden, bood een steenlegging zonder publiek en met een minimum bezetting van 7 personen: vijf steenleggers en twee stratenmakers, uitkomst. Daarvoor bleek geen vergunning nodig te zijn.
Als er één datum voor de noodlegging in aanmerking kwam, dan was het wel vrijdag 26 maart 2021. Op die dag was het precies 78 jaar geleden dat Helena, Joseph Michael, Judith en Alida (zus Hanna was hen drie en een halve maand eerder in Auschwitz voorgegaan) in Sobibor hun levens verloren.
Op donderdagochtend 25 maart 2021 verwijderden de stratenmakers Wout Duijndam en Hennie Stouten een handvol klinkers uit de stoep voor restaurant de Klok. Ze stortten alvast een betonvloertje op het blootgelegde zandbed en plaatsten vijf passteentjes in het ontstane gat.
PLAATS, RUST
Op vrijdagmiddag 26 maart 2021 slenterden zo’n 15 ‘toevallige’ passanten, waaronder burgemeester Lenferink, even voor drieën de steeg in. Overbuurvrouw Marieke Vos van Madame Marie voorzag het aanlopend volk van koffie en thee met huisgemaakte appeltaart.
Stipt om drie uur werden de passteentjes uit de stoep gelicht om te worden vervangen door de vijf Stolpersteine, gelegd door achtereenvolgens Leo Levie (voormalig secretaris van de Leidse synagoge) door mij, door Liesbeth Molenberg (achternicht van de Leidse familie Weijl) door Cora Schmeiser (mijn echtgenote) en door Ruben Levy (Liesbeths zoon). Daarmee markeerden we een plek die ons met onze hedendaagse doorgangsneuzen op de geschiedenis zal blijven drukken.
Leo, Liesbeth en Ruben zeiden kaddisj, Wout Duijndam en Hennie Stouten voegden de geplaatste steentjes en boenden ze vervolgens glanzend schoon. De aanblik van de in een perfecte klinkeromlijsting gevatte gezinshereniging ontroerde de kring. Leo deed een stap naar voren en legde een kiezel op de steen van Helena.
Op de messing opperhuid van haar naamplaatje en die van haar broer en zusters zal zich in de loop der jaren een laagje patina vormen, net als de eeltlaag die zich na 78 jaar op hun getergde zielen moet hebben gevormd.
[Proloog]
De oerversie van VAN LOCHEM NAAR LEIDEN stamt uit het najaar van 2019. Ik schreef het als toelichting bij het Stolpersteine-project voor eventueel educatief gebruik op Leidse scholen. Doel was, de mensen voor wie de struikelstenen zijn bedoeld, een ‘gezicht’ te geven. Dat bleek niet eenvoudig. Van de vier bakkersdochters bestaan, voor zover ik weet, geen afbeeldingen of foto’s. Van de bakkerszonen bestaat mogelijk maar een enkele foto: twee jochies in helwitte bakkersbuizen die in het ravijn van de Kloksteeg wat onwennig poseren voor een bakkerskar. De linker met bril zou Louis Weijl kunnen zijn. Het meeste kwam ik te weten over hem: de oudste broer, die als enige gezinslid uit handen van de Duitsers wist te blijven en de oorlog overleefde. Van Louis is correspondentie bewaard gebleven die indirect licht werpt op zijn vermoorde broer en vier zussen. De resultaten van dat voortschrijdend inzicht zijn in dit artikel verwerkt. Ondanks de toevoegingen en aanvullingen zit het meer-luik over de familie Weijl vol gaten die wellicht nooit zullen worden gedicht.
Bronnen: Database Historische Kranten & Beeldbank WO II van Erfgoed Leiden en Omstreken, Leids jaarboekje 1995 van de Vereniging Oud Leiden, leiden4045.nl, delpher.nl, Liesbeth Molenberg en dossier 071.nl
Het verhaal van de Joodse bakkersfamilie Weijl begint in 1879. In dat jaar verhuisde de 25-jarige vrijgezel Michael Joseph Weijl van het Gelderse Lochem naar Leiden. Hij huurde er de bakkerij in de Kloksteeg nummer 3 en plaatste op 26 april 1880 zijn eerste advertentie in het Leidsch Dagblad, waarin hij zichzelf ‘minzaam aanbeveelt tot het leveren van brood, beschuit en zoetgoed, belovende een solide en prompte bediening.’ Twee jaar later was Michael Joseph Weijl voldoende geaard om de 28-jarige Klaartje Kan uit Meppel naar Leiden te halen. Hij trouwde met haar en kocht de bakkerij met woonhuis, kadastraal bekend als Sectie G, nummer 552, groot 93 ca. voor fl. 4.060,–. Het echtpaar trad toe tot de kleine Nederlands-Israëlietische Gemeente Leiden. Op sjabbat baden ze in de synagoge op het Levendaal.
FAMILIEBEDRIJF
Michael en Klaartje stichtten een gezin van zes kinderen: vier meisjes en twee jongens. In chronologische volgorde: Helena (1882), Louis (1884), Joseph Michael (1885) Judith (1886), Hanna (1889) en Alida (1892). De kinderen werden opgevoed volgens de Joodse traditie maar alleen Louis werd bar mitswa. Zodra de vier oudste kinderen de lagere school hadden afgemaakt en hun leerplicht verviel, werden ze van school gehaald om mee te helpen in de bakkerij. Van de jongens Louis en Joseph Michael werd verwacht dat ze het bakkersvak in de praktijk zouden leren, zodat ze later het familiebedrijf konden overnemen. De meisjes Helena en Judith hielpen met bedienen in de bakkerswinkel. De jongste dochters Hanna en Alida – die kennelijk wel mochten doorleren – hielpen buiten schooltijd met het klaarzetten van het bestelde brood en banket, zodat de bakkersleerlingen ze later per fiets konden bezorgen.
Zowel het brood als het banket vond gretig aftrek bij de burgerij. Klanten konden zich dagelijks verlustigen aan de achter de winkelruit van de firma M. J. Weijl & Co uitgestalde boterkoek, boterletters en superfijne boterkransjes – allen met zuivere roomboter bereid – aan Arnhemse meisjes, Janhagel, Parijse roomsoezen, aan Julianakoekjes, citroenkoekjes, eier- en theekoekjes of bitterkoekjes, aan cocosnootkransjes, kletskoppen, tulbanden, appelbollen, vanille spritsen of slagroompunten. Het periodieke aanbod van de bakkerij bestond uit eigen fabrikaat matzes, crackers en paasbrood. De jaarlijkse Sinterklaas-etalage met fijn gekruide St.-Nicolaas, banketstaven met een kern van prima amandelspijs, speculaaspoppen gevuld met amandelen en sukade, chocoladeletters in melk en puur van Droste, marsepein en tongstrelende borstplaat van Pel was een trekpleister voor jong en oud.
GEMBERBOLUSSEN
Naast brood verkocht de bakkerij opvallend veel met gemberstroop gezoete bolussen, vooral aan Leidse studenten.
De populariteit van dat gebak onder studenten is te verklaren, doordat de Leidse schrijver Klikspaan ooit in de inleiding van zijn boek ‘Studententypen’ beweerde dat de bolus ‘de enigst mogelijke versnapering in de pauzes tussen de colleges’ is. De bolussen van Weijl werden op de Nationale Bakkerijtentoonstelling bekroond met een zilveren medaille. Vader Michael Joseph maakte van die bekroning gebruik om het alleenrecht te bedingen op de levering van ‘echte’ bolussen op het 30ste Letterkundig Congres in de sleutelstad. Hij verdedigde zijn monopoliepositie zelfverzekerd met de bewering dat alle andere bolussen dan die van Weijl ‘beslist namaak zijn.’ Ze werden inmiddels in postkistjes verzonden naar binnen- en buitenland. Toen Hare Majesteit de Koningin Wilhelmina een trommeltje van het banket bestelde, mocht Michael Joseph Weijl zich met recht Hofleverancier noemen.
DROMEN EN DADEN
Zoon Joseph Michael was een vlijtige leerling die aanleg én zin had om zijn vader op te volgen. Zijn één jaar oudere broer Louis was minder enthousiast over dat toekomstperspectief. Zijn droom was het, om advocaat te worden. Louis wist dat hij daarvoor naar de universiteit moest. Iemand met alleen het getuigschrift van de lagere school, zoals hij, maakte geen kans om daar te worden toegelaten. Toch gaf de zwaar bebrilde Louis zich niet gewonnen. Hij besteedde al zijn vrije tijd – vaak ’s nachts – om zich voor te bereiden op het staatsexamen, waarvoor hij moest slagen om aan de universiteit te mogen studeren. Twaalf keer liet de staatsexamencommissie hem zakken op een onvoldoende voor meetkunde. De dertiende keer nam Louis een brief van professor Jan van der Hoeve, hoogleraar Oogheelkunde mee, die verklaarde dat Louis’ buitengewoon slechte ogen hem hinderden bij het oplossen van meetkundige opgaven, maar dat er aan z’n verstand niets mankeerde. Op zijn 37ste jaar mocht hij dan eindelijk met zijn rechtenstudie beginnen.
De oudste twee dochters Weijl zaten ook niet stil: Helena en Judith leerden zichzelf buiten werktijd het kleermakersvak aan. Toen ze vonden dat ze goed genoeg waren, richtten ze boven de bakkerij een ‘atelier tot het vervaardigen van dames-kostuums’ in en plaatsten ze een advertentie in de krant waarbij ze hun kleermaakkunsten als tailleuses aanboden. De zaken liepen zo goed dat ze aankomende naaisters en leerlingen aanwierven.
Het één na jongste zusje Hanna was ook een slimme meid. Na de lagere school leerde ze door voor makelaar. Toen ze haar opleiding had afgemaakt verhuisde ze naar Den Haag, waar ze werd beëdigd als Nederlands eerste vrouwelijke directrice van een makelaarsbureau. Dat nieuws was zo bijzonder, dat het de voorpagina van een landelijk dagblad haalde. Haar bureau ‘Woninggids Duinoord’ hield kantoor op de Koningin Emmakade 194 in Den Haag. Hanna was het eerste kind, dat het ouderlijk huis verliet.
Alida, de laatstgeborene, volgde na haar lagere school een opleiding tot accountant, behaalde haar diploma Stenografie en vond een baan als rijksambtenaar bij het Leidse belastingkantoor. Vier jaar later werd ze bevorderd tot Rijksklerk der 3e Klasse bij de Belastinginspectie in Haarlem. Een jaar later keerde ze terug als Schrijver der 1e Klasse op de 2e Afdeling Inspectie van het Leidse belastingkantoor. Ze bleef al die tijd in de Kloksteeg wonen.
HOE HET DE BROERS VERGING
Plaatselijke en landelijke arbeidswetgeving legden het bakkersbedrijf beperkingen op. Samen met broer Louis, die zich op zijn zolderkamer in de jurisprudentie had verdiept, trok Joseph Michael ten strijde tegen het gezag. De broers verdedigden de belangen van de luxe bakkerijen in de prijzenslag met de opkomende broodfabrieken. Via ingezonden brieven én in de rechtszaal legden ze de inconsequenties bloot van de Leidse verordening tot beperking van de nachtarbeid en de landelijke Zondagswet, die de Joodse bakker verbood op zondagen te werken. Het juridisch talent Louis wist er een voordeel uit te slepen: de firma M. J. Weijl & Co kreeg als enige Leidse bakker officieel toestemming om op zondagen brood en banket aan te bieden.
Toen vader Michael Joseph in 1908 onverwachts op 54 jarige leeftijd overleed, gedacht het Nieuw Israelietisch Weekblad hem als ‘een der trouwe dragers van het orthodoxe Jodendom, die zij zoo noode kunnen missen.’ Zoon Joseph Michael, 23 jaar oud, nam de bedrijfsvoering over. Hij liet de goedlopende bakkerij verbouwen en uitbreiden. De nog thuiswonende zussen Helena, Judith en Alida en broer Louis waren toen al zo druk met hun eigen zaken dat ze steeds minder vaak beschikbaar waren om een handje te helpen in de bakkerij. Om het bedrijf en het huishouden draaiend te houden nam Joseph Michael bakkersleerlingen en dagmeisjes aan.
Broer Louis ontpopte zich tot ‘dagbladschrijver’ en beheerde het Leids Correspondentiebureau voor Dagbladen. Voor het Nieuw Israelietisch Weekblad leverde hij stukken waarin hij aandacht vroeg voor het behoud van Joodse tradities. Hij maakte korte metten met een handelsreiziger, die in een ingezonden stuk toegaf dat hij onderweg – bij gebrek aan beter – zijn honger wel eens stilde met onrein brood. Maar Louis liet ook zijn progressieve kant zien. Hij leverde scherpe kritiek op het ‘nieuwe’ reglement van de Leidse Nederlands Israëlietische gemeente, dat de invloed van minder draagkrachtige leden op de besluiten van de kerkeraad inperkte.
Een jaar na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog trok Louis zich het lot van de Joodse weeskinderen in het door oorlog geteisterde België aan. Hij richtte het Joods Huisvestingscomité op, dat Belgisch-Joodse wezen naar Leiden haalde, om daar bij Joodse gezinnen te worden ondergebracht. In 1917 ging zijn initiatief op in het door het Amsterdamse opperrabinaat geleide Centraal Landelijk Comité voor het huisvesten van noodlijdende Joodse kinderen uit álle oorlogvoerende staten.
Op zijn vijfenveertigste slaagde Louis voor zijn doctoraal examen Rechten. Hij opende zijn eerste kantoor op de Breestraat 51a Leiden en trad op als verdediger in strafzaken en curator bij faillissementen. Hij verhuisde zijn praktijk twee maal: de eerste keer naar de Breestraat 123a en tenslotte naar de Apothekersdijk 4. Toen Louis in 1932 met de 14 jaar jongere Litouwse Anne Gertrud Wittkus trouwde, zocht het paar een woning in Den Haag. Louis was, na Hanna, het tweede kind dat het ouderlijk huis verliet.
HET KWAAD WERPT ZIJN SCHADUW VOORUIT
Op 30 november 1939 vierde bakkerij Weijl haar 60-jarig bestaan. De feestvreugde werd gedempt door de Duitse inval in Polen en de dreiging van een nieuwe wereldoorlog.
Het bange vermoeden werd werkelijkheid toen Duitsland op vrijdag 10 mei 1940 Nederland om vijf voor vier ’s morgens aanviel. Om de opmars van de vijand te vertragen, werd die avond de straatverlichting in heel Nederland uitgeschakeld. Het Nederlandse leger beet fel van zich af. Als straf voor die tegenstand bombardeerde de Duitse Luftwaffe vier dagen later Rotterdam. Nederland legde daarop de wapens neer. Voor de familie Weijl en de andere Leidse Joden brak een onzekere tijd aan. Er sloop wantrouwen in de gemeenschap. Sympathie en antipathie verdeelden de steeg. Een overbuurman van de Weijls bood zijn tweede etage te huur aan met de vermelding: ‘N.S.B.-er geen bezwaar.’
In augustus van dat jaar probeerde een NSB-er brand te stichten in de Leidse synagoge. Dat mislukte, omdat de politie van tevoren wist wat er zou gebeuren. Verdekt opgestelde agenten wachtten de aanslagpleger op en hielden hem aan. In een alsmaar vijandiger klimaat besloten de Weijls op hun tellen te passen, maar de dienstverlening aan hun afnemende, gemengde klantenkring ongewijzigd voort te zetten.
ANTI-JOODSE MAATREGELEN
In oktober 1940 kwamen de eerste beperkende maatregelen tegen Joden. Alle in overheidsdienst werkzame personen dienden een Ariërverklaring te tekenen, waarbij ze de vraag moesten beantwoorden of ze al dan niet van Joodse afkomst zijn. Of rijksambtenaar Alida de verklaring tekende, is onzeker. Zeker is, dat ze enkele weken later werd ontslagen bij de Belastingdienst. Lang hoefde ze niet naar alternatief werk te zoeken: als bedrijfsleidster van de bakkerij kon ze gelijk aan de slag. De Duitsers zetten hun zuiveringsplannen voort, door – ondanks het felle protest van de Leidse hoogleraren – alle Joodse medewerkers van de Leidse Universiteit te ontslaan.
Op 30 december 1940 plaatste Joseph Michael, als blijk van vertrouwen in de toekomst, een advertentie in het Leidsch Dagblad, waarin hij ‘Weijl’s Beroemde Gember- en Amandelbolussen voor Oudejaarsavond’ aanprees. Joseph Michaels optimisme bleek ongegrond. Om de Joden in het nieuwe jaar nog verder in het nauw te brengen werden ‘personen van geheel of gedeeltelijk Joodse bloede’ verplicht zich bij het bevolkingsregister te melden. Weigering werd opgevat en bestraft als een misdrijf. Op last van de Duitse Generalkommissar werden twee vette letters ‘J’ als brandmerk in de persoonsbewijzen van de familie Weijl gestempeld.
De oorlog was nog net geen twee jaar oud, toen op last van de Procureur Generaal begonnen werd met het plaatsen van borden met het opschrift ‘VERBODEN VOOR JODEN’ bij winkels, cafés, theaters, zwembaden en plantsoenen. Overtreders riskeerden een boete van fl. 1.000,– of een half jaar gevangenisstraf.
De volgende stap in het isoleren van ‘de Jood’ was, alle Joden boven de zes jaar te verplichten om op de openbare weg een duidelijk zichtbare gele Jodenster te dragen. Helena, Joseph Michael, Judith en Alida werden gedwongen zestien Jodensterren te kopen: vier per persoon. Nog geen twee maanden later mochten ze geen gebruik meer maken van het openbaar vervoer, ze mochten niet op bezoek bij niet-Joodse vrienden, geen gebruik maken van telefooncellen en moesten van acht uur ’s avonds tot zes uur ’s morgens verplicht thuis blijven. Doel van die ‘avondklok’ was om het oppakken van Joden tijdens die avonduren te vergemakkelijken.
Toen de bezetter in juli 1942 de Joden verplichtte al hun kostbaarheden aan de roofbank Lippman-Rosenthal & Co. af te dragen, begon de familie Weijl met het in bewaring geven van sieraden, bestek en meubilair maar ook contanten aan buren, bekenden en ex-collega’s van Alida bij de Belastingdienst. Omdat de firma M. J. Weijl & Co alleen nog mocht bakken voor de gestaag afnemende Joodse klantenkring kelderde de omzet en slonk het aanbod.
DRIEKLEUR
In het themanummer van Leids Jaarboekje over de tweede Wereldoorlog uit 1995 , haalde de Leidenaar Jan Sloos een jeugdherinnering op aan de bakkerswinkel, waarin we een glimp van Helena opvangen:
‘Soms wandelde ik met mijn vader over het Rapenburg naar de Joodse bakker Weijl in de Kloksteeg, waar oude vaste klanten steeds kleiner wordende gemberbolussen konden kopen. Ik verheugde mij daar altijd bijzonder op, want op de toonbank van de bakker stond een glazen stopfles, waarin rode, witte en blauwe (!) schuimpjes zaten. Van de vrouw van de bakker mocht ik altijd in de fles grijpen en zo veel schuimpjes pakken als ik in één hand kon houden. Meestal had er ik drie, maar als ik hard kneep waren het er wel eens vier.
Op een dag liep ik weer met mijn vader over het Rapenburg op weg naar bakker Weijl. Ik liep voor mijn vader uit de Kloksteeg in. Plotseling trok mijn vader mij terug het Rapenburg op. “Waarom gaan we niet naar de bakker?“, vroeg ik. “De bakker is gesloten”, antwoordde hij. Ik begreep niet waarom mijn vader huilde en wij nooit meer gemberbolussen gingen halen.’
KRANTZ KLIKT
Het net rond de familie begon zich in september 1942 te sluiten, toen de Leidse NSB-er Adriaan Krantz aan de Beauftragte für die Provinz Süd-Holland Ernst Schwebel meldde, dat hij over aanwijzingen beschikte, dat er in de bakkerij van Weijl geheime samenkomsten van de studentenvereniging Ondergrondsche Strijders voor Vrij Nederland zouden plaatsvinden. Zijn melding leidde tot meerdere huiszoekingen van de Sipo/SD in de bakkerij, maar bewijzen voor illegale bijeenkomsten werden niet aangetroffen.
In november 1942 vond Joseph Michael het verstandig om zijn tijdelijk overtollige speculaas-snijmachine elders in veiligheid te brengen.
HANNA WORDT OPGEPAKT
Op 21 november 1942 werd makelaarszus Hanna als eerste familielid in Den Haag opgepakt en naar het doorgangskamp Westerbork weggevoerd. Op 30 november werd ze op transport gezet naar het vernietigingskamp Auschwitz en na haar aankomst, drie dagen later, direct vergast. Op 4 januari 1943 ontvingen haar Leidse broer en zusters het bericht van de Joodse Raad, dat Hanna vanuit Westerbork op transport was gesteld, maar dat ‘Verder adres’ niet kon worden medegedeeld.
DE JACHT IS GEOPEND
In januari 1943 deed de verzetsman Frans van der Reyden een poging om Joseph Michael over te halen om met zijn drie zussen onder te duiken, maar Joseph Michael weigerde het aanbod, omdat hij dacht dat de oorlog snel voorbij zou zijn.
In de nacht van 5 op 6 maart 1943 vond de eerste razzia in Leiden plaats. Op last van het hoofd van de Sicherheitspolizei, SS-Sturmscharführer Fischer, werden 33 Joden aangehouden. Bij de tweede razzia, op woensdagmiddag 17 maart 1943, omsingelden 25 Leidse politieagenten om kwart over vijf het Leidse Joodse Weeshuis aan de Roodenburgerstraat. Onder leiding van de Duitsers werden 51 weeskinderen en 9 begeleiders opgepakt.
Diezelfde avond nog werkten Leidse politieagenten - twee aan twee - een lijst met ‘Joodse adressen’ af, om 41 niet-ondergedoken Joden, waaronder Helena, Joseph Michael, Judith en Alida Weijl op te halen. De arrestanten mochten hun laatste bezit in een rugzak, koffer of kussensloop proppen. Onder politiebewaking liepen ze met de andere opgepakte Joden via de Breestraat naar het station. Daar stonden oude wagons klaar met voor elke deur een agent van de Grüne Polizei om de ‘lading’ te bewaken. Pas na enkele uren werden de wagons aan een stokoude stoomlocomotief gekoppeld, die hen in de nacht van 17 op 18 maart afvoerde naar het doorgangskamp Westerbork.
Medewerkers van de Joodse Raad namen de gegevens op van de in Westerbork gearriveerde Joden. Ze werden overgetypt en opgeborgen in een kaartsysteem. Op de kaarten van de voormalige tailleuses Helena (Winkeljuffrouw Joods Lokaal) en Judith (Winkelbediening Joods Lokaal) stond onder het kopje ‘indruk’: ‘bij de hand’ vermeld. Of daarmee ‘vlug van begrip’ werd bedoeld of ‘vrijpostig,’ zullen we nooit weten. De familie werd in Barak nr. 68 ondergebracht.
SPOREN WISSEN
Louis Weijl’s echtgenote Gertrud Wittkus, die als niet-Joodse vrij mocht reizen, was op 17 maart 1943 aanwezig bij de aanhouding van haar zwager en haar drie schoonzusters in de Kloksteeg. Kort voordat ze werd weggevoerd, vertrouwde Alida nog aan Gertrud toe, dat een collega bij de Belastingdienst in het bezit was van een volledige lijst van de door de familie in bewaring gegeven goederen, inclusief de vermelding van de namen van de bewaarnemers.
Gertrud bracht de nacht van 17 maart alleen door op de Kloksteeg. Ze maakte de kachel aan om alle dozen waarin kostbaarheden verpakt hadden gezeten, en die de suggestie zouden kunnen wekken dat er nog waardevolle zaken in het huis waren, te verbranden. Nog voor het weekeinde werd de voordeur van het perceel Kloksteeg 3 op last van de Sicherheitspolizei verzegeld. De sleutels werden overgedragen aan de Einsatzstab Rosenberg, Jacob Mosselstraat 39, Den Haag.
POERIM 1943
Op zondag 21 maart 1943 vierden de gedeporteerden in de barakken van Westerbork Poerim, waarbij werd herdacht dat op deze dag het lot van het Joodse volk, dat ooit in ballingschap leefde in het Perzische Rijk, een wending nam en Esther het plan van de Perzische koning, ‘om te verdelgen, doden en uitroeien alle Joden, van knaap tot grijsaard, zelfs kinderen en vrouwen, op één dag’, wist te verijdelen.
OP TRANSPORT NAAR POLEN
Op dinsdag 23 maart 1943 werden 1.250 Joden – waaronder de familie Weijl en de kinderen en het personeel van het Leidse Joodse Weeshuis – in veewagens geladen. Vanuit Westerbork vertrokken ze naar het vernietigingskamp Sobibor in Polen, waar ze drie dagen later aankwamen.
Op vrijdag 26 maart 1943 werden Helena - 60 jaar, Joseph Michael - 57 jaar, Judith - 56 jaar en Alida - 50 jaar bij aankomst in de gaskamers van vernietigingskamp Sobibor vermoord. 271 andere Leidse Joden ondergingen hetzelfde lot. Na de oorlog zouden slechts 219 van de 490 Leidse Joden uit de Duitse kampen of de onderduik naar Leiden terugkeren.
LIQUIDATIE
Op zaterdag 27 maart 1943 belde de heer Teppema van de Haagse Meelcentrale de Politie in Leiden, met de vraag wat hij moest doen met de levering van toegewezen meel aan de firma M. J. Weijl nu het perceel aan de Kloksteeg gesloten was aangetroffen. Op 14 april 1943 liquideerde de Duitse roof-firma Omnia Treuhand GmbH de firma M. J. Weyl. Op 24 mei 1943 schreef het bevolkingsregister Helena, Joseph Michael, Judith en Alida af met bestemming Duitsland. Een nadere aanduiding ontbrak.
[Proloog]
In juni 2020 wijst de historicus/schrijver Alphons Siebelt, die al heel wat publicaties over de Tweede Wereldoorlog op zijn naam heeft staan, me op een artikel in de Leidse Courant van 8 mei 1948: ‘A. Krantz voor Leids Tribunaal.’ Het is het verslag van een dag in het proces tegen de Leidse lakenfabrikant en N.S.B-er Adriaan Krantz. Krantz wordt beschuldigd van het leveren van uniformstof aan de Duitse weermacht en het verlenen van steun aan de vijand. Eén van de stukken die die zittingsdag ter tafel komen is een brief, die Krantz in oktober 1942 stuurt aan de Duitse Rijkscommissaris. Daarin schrijft hij te weten, dat Leidse studenten en professoren, na de door de bezetter afgedwongen sluiting van de Universiteit, doorgaan met illegale colleges en examens. In zijn brief noemt Krantz nadrukkelijk de naam van Joseph Michael Weijl, in wiens huis de geheime samenkomsten zouden worden gehouden. Ik maak een afspraak bij het Nationaal Archief om de beperkt openbare dossiers over NSB-er Adriaan Krantz in te kunnen zien. Het lijvige Krantz-dossier dat deel uitmaakt van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging is een echte kluif: drie flinke archiefdozen met zijn correspondentie met de NSB en het Derde Rijk. Ontelbare brieven, afgesloten met “Hou Zee!” of “Heil Hitler”. Mappen vol bestelformulieren voor laken in flieger- dan wel feldgrau. Pas aan het eind van de middag vind ik de map waarnaar ik zoek en waarin ik de verslagen van het tribunaal aantref.
Bron: Nationaal Archief, dossier A. Krantz CABR Inv. nr. 91080
Op zondag 27 september 1942, bijna twee jaar na het begin van de nazificering van het hoger onderwijs, besprak de Leidse lakenfabrikant en vooraanstaande NSB’er Adriaan Krantz de toestand van de Leidse Universiteit met de Beauftragte für die Provinz Süd-Holland Ernst Schwebel. Krantz speculeerde daarbij over vermeende illegale activiteiten binnen met name de Leidse medische faculteit. Hij nam vijf dagen de tijd om zijn verdachtmakingen te verifiëren en te concretiseren. Op vrijdag 2 oktober stuurde hij Schwebel een brief, waarvan de vertaling luidt:
‘[…] terugkomend op onze bespreking van Zondag moet ik u mededelen, dat mijn mededeling betr. geheim verder arbeiden der universiteit op feiten berust. Ook examens vinden plaats. De medische faculteit te Amsterdam heeft Leidse doktoren aangewezen om Leidse studenten te examineren. Deze examens worden in Leiden afgenomen. Vermoedelijk zijn de studenten, die zich in grote getale te Leiden bevinden, georganiseerd in de geheime vereniging “Ondergrondsche Strijders voor Vrij Nederland”, wachtwoord “Alles sal regh kom”. Samenkomsten van deze vereniging zouden plaats vinden bij de Joodse bakker Weijl i.d. Kloksteeg in Leiden. Ook worden in dit verband samenkomsten bij Prof. Mr. Dr. Jhr. W. J. M. Eysinga aan de Rijnsburgerweg in Leiden genoemd. Ik vind het noodzakelijk U dit te melden. Met zeer beleefde groeten. Heil Hitler’
HUISZOEKING EN ARRESTATIE
Het schrijven vormde voor de Sipo/SD aanleiding om huiszoekingen te verrichten in het pand aan de Kloksteeg, een enkele keer zelfs twee maal op dezelfde dag. Voor de bewering dat er in het huis aan de Kloksteeg examens of illegale bijeenkomsten plaats zouden vinden, werden geen bewijzen gevonden. Nader onderzoek wees wel uit, dat bakker Joseph Michael Weijl en zijn zusters – met name door hun bekroonde gemberbolussen – goede bekenden van Leidse medische studenten waren en dat de bakkerswinkel aan de Kloksteeg veel aanloop kende vanuit universitaire kringen.
Op 17 maart 1943 werden Joseph Michael en zijn zusters Helena, Judith en Alida door twee Leidse rechercheurs gearresteerd. Hendrik Naber, agent van politie der eerste klasse, getuige IV in het na-oorlogse onderzoek naar de gedragingen van Adriaan Krantz, verklaarde het volgende:
‘In de maand Maart 1943, de juiste datum weet ik niet meer, heb ik van de Inspecteur van politie Van Musschert te Leiden opdracht gekregen, om de familie Weyl, wonende Kloksteeg 3 te Leiden, te arresteren. Deze arrestatie is gelijktijdig geschied met de grote razzia op Joden te Leiden. Bedoelde familie was reeds van te voren gewaarschuwd door een mij onbekende *. Dit is mij door de bakker Weyl, toen ik hem moest arresteren, medegedeeld. Waarom de familie Weijl gearresteerd moest worden, is mij onbekend. De agent van politie Middendorp uit Leiden was bij deze arrestatie tegenwoordig. Er was geen Feldgendarmerie bij de arrestatie. De Feldgendarmerie nam de Joden in ontvangst aan het station.’
* Bedoeld wordt mogelijk de verzetsman Frans van der Reyden, die begin maart 1943 een poging deed om Joseph Michael met zijn drie zussen onder te laten duiken. Joseph Michael weigerde het aanbod, omdat hij dacht dat de oorlog snel voorbij zou zijn.
Louis Weijl bevestigde later dat zijn broer in oktober 1942 verschillende malen huiszoeking had gekregen. Ze hadden het onderwerp een enkele keer besproken, maar Joseph Michael bleef daarover, ook tegenover zijn broer, zeer gesloten.
NA DE OORLOG: BEVINDINGEN PRA-LEIDEN
Op 24 maart 1947 noteerde wachtmeester 1e klasse der Rijkspolitie Pieter Kruyswijk, die in opdracht van de Politieke Recherche Afdeling (PRA) te Leiden een nader onderzoek naar de gedragingen van verdachte Adriaan Krantz instelde, de volgende verklaring van de door Krantz tevens verdacht gemaakte Prof. Mr. Dr. Jhr. Willem Jan Mari Eysinga:
‘Ik heb nimmer in mijn woning aan de Rijnsburgerweg te Leiden samenkomsten georganiseerd, om Leidse studenten te examineren of in andere vorm bijeen te doen komen. In de herfst van 1942, ik meen omstreeks October, de juiste datum weet ik niet meer, heeft er in mijn woning een bijeenkomst plaats gehad, uitgaande van het Hervormd Jongeren Verbond. Deze bijeenkomst werd door ongeveer 30 personen bezocht. Dat deze bijeenkomst plaats had, was vermoedelijk reeds aan de politie verraden. Tijdens deze bijeenkomst kreeg ik bezoek van de Inspecteur van Politie Van der Wal, die kwam controleren, hoeveel personen ik in mijn woning had. In die tijd moest men een vergunning hebben, wanneer een vergadering werd gehouden van meer dan twintig personen. Genoemde Inspecteur gedroeg zich zoals een goed politieman zich in die tijd moest gedragen en keerde zonder in te grijpen of een einde te maken aan de bijeenkomst, terug. Uit dit bezoek der politie bleek mij echter, dat mijn gangen nagegaan werden en dat er een onbekende was, die mij niet vertrouwde. Verder heb ik daarvan geen last ondervonden. Van het schrijven van A. Krantz aan Dr. Schwebel, waarin ik word genoemd, heb ik mij nimmer verantwoord en daarvan ook nimmer last ondervonden. Niettegenstaande ik hiervan nimmer last ondervond, vind ik het vrij onbetamelijk van A. Krantz om een dergelijk schrijven tot Schwebel te richten. Bakker Weyl is een goede bekende van de Leidse Medische Studenten. Ik zou echter niet kunnen verklaren, dat hij in zijn woning samenkomsten organiseerde om de Studenten in de gelegenheid te stellen examens te doen. Het is mij bekend, dat de Joodse familie Weyl gearresteerd is. Waarom en wanneer zij gearresteerd zijn, is mij onbekend.’
KRANTZ VOOR HET TRIBUNAAL
De Leidsche Courant van 8 mei 1948 besteedde aandacht aan het proces van het Leidse tribunaal tegen Krantz. Hij moest zich, naast het leveren van 556.000 strekkende meter militair laken van 140 cm breedte ten behoeve van de Wehrmacht, WA en SS, ook verantwoorden voor het opzettelijk blootstellen aan opsporing, vervolging of vrijheidsberoving van personen die illegaal de belangen van de Leidse Studenten behartigden. Gevraagd naar de motieven achter zijn brief aan Schwebel verklaarde hij:
‘De Universiteit zat mij zeer hoog. De opzet was om studenten, die ondergronds door studeerden, weer langs normale weg te laten studeren. Het is nooit mijn opzet geweest om de familie Weyl in moeilijkheden te brengen en deze te verraden aan Dr. Schwebel.’
Waarschijnlijk had Krantz zijn verdachtmakingen uit tweede of derde hand. De vooroorlogse harmonie in de Kloksteeg was tijdens de bezettingsjaren danig verkild. Een prominent steegbewoner was overtuigd NSB-lid, een overbuurman sympathiseerde openlijk met de bezetter. Landwachters en WA-mannen huurden kamers in de steeg. In dat anti-Joodse wespennest was het een koud kunstje om de bakkersfamilie in een kwaad daglicht te stellen.
Maar kennelijk bevatte de brief van Krantz onvoldoende bewijs voor de autoriteiten om Joseph Michael, Helena, Judith en Alida Weijl vanwege dienstverlening aan de illegaliteit op te pakken vóór de grote razzia van 17 maart 1943.
Zolang er geen bronnen opduiken die het bestaan van de Ondergrondsche Strijders voor Vrij Nederland of een samenkomst in de Kloksteeg bevestigen, blijft Krantz’ ‘geheim’ intact.
[Proloog]
Aanleiding voor HET NOODLOTTIG ONGEVAL is de scan van een briefkaart die Liesbeth Molenberg, een achternicht van de Leidse broers en zusters Weijl, me in augustus 2020 stuurde. De kaart, beschreven door Louis Weijl, is gedateerd op 19 november 1943 en gericht aan A. van de Nadort, Tesselschadestraat 27a Amsterdam.
Kennelijk was het poststuk onbestelbaar, want het wordt retour afzender gestuurd. Uit deze kaart en overige bewaarde correspondentie zou kunnen worden opgemaakt, dat Louis heeft gefungeerd als ‘doorgeefluik’ voor pakketten van- en naar Westerbork en dat hij tot aan de bevrijding contact onderhield met weggevoerde familieleden en vrienden in Zwitserland. Liesbeth vraagt me of ik er iets mee kan. Ik ga op onderzoek uit.
Bronnen: Liesbeth Molenberg, Elly van der Kwaak-van de Nadort, Jeanette Loeb, leiden4045.nl, Erfgoed Leiden en Omstreken & dossier 071.nl
Op vrijdag 19 november 1943 deed Mr. Louis Weijl in Den Haag een briefkaart op de bus die was geadresseerd aan de Weledele Heer A. van de Nadort, Tesselschadestraat 27a, Amsterdam. Louis schreef:
‘Weledele Heer, Schikt het U Zondag- of Maandagmiddag of anders op een andere middag even bij mij te komen? Ik heb namelijk een schrijven uit Westerbork ontvangen, waarin naar U wordt verwezen. Indien ik van de Tram gebruik kon maken, zou ik naar U toe gekomen zijn. Ik mag echter niet Trammen en loopen is mij te ver. Het betreft rugzakken van iemand, die blijkbaar goed met U bekend is.’
CONTACT MET WESTERBORK
Louis was de oudste zoon van de Joodse bakkersfamilie Weijl uit de Leidse Kloksteeg. Samen met zijn niet-Joodse vrouw Gertrud Wittkus woonde hij in de Riouwstaat 210 in Den Haag.
Tot 22 oktober 1941 mocht Louis als advocaat en procureur werken vanuit zijn kantoor aan de Leidse Apothekersdijk. Vanaf die dag werd het Joodse juristen niet langer toegestaan om zaken voor niet-Joden te behandelen. Louis zag zich gedwongen om zijn praktijk te sluiten.
Zijn broer en vier zusters waren in de winter van 1942-‘43 opgepakt en vanuit Westerbork met onbekende bestemming op transport gesteld.
Uit Louis’ boodschap valt af te leiden dat hij zijn ‘vrije’ tijd benutte om het contact te onderhouden tussen gedeporteerde Joden in Westerbork en het nog in ‘vrijheid’ levende thuisfront.
RETOUR AFZENDER
In de tijd dat Louis de briefkaart schreef, was het voor Joden verboden om te reizen, vandaar Louis’ verzoek aan Arie om bij hem thuis in Den Haag langs te komen.
Het is onwaarschijnlijk dat Louis Arie persoonlijk kende, want in dat geval had hij geweten dat Arie van de Nadort niet, zoals hij schreef, in de Tesselschadestraat in Amsterdam woont, maar in de Leidse Tesselschadestraat. De kaart werd als onbestelbaar aangemerkt en retour afzender gestuurd.
BOEKHOUDER BIJ LOEB
Op de dag dat Louis de briefkaart op de post deed, was Arie van de Nadort 34 jaar oud en getrouwd met de 1 dag oudere Adriana Hannaart. Samen hadden ze een dochtertje van bijna 5 jaar oud: Elly.
Arie werkte als gediplomeerd boekhouder voor verschillende middenstanders in de regio Leiden, waaronder voor de meubelwinkel van het Joodse gezin van Ernst en Jenny Loeb aan de Breestraat 161. Een bijzonderheid van de firma Loeb was, dat er – getuige de slagzin: ‘spreek met Loeb en ’t komt in orde’ – op afbetaling kon worden gekocht waardoor de zaak veel geld had uitstaan bij klanten.
VERTROUWENSBAND
Al direct na de Duitse inval werd de familie Loeb mikpunt van intimidaties die door de bezetter en zijn nationaal-socialistische handlangers werden aangemoedigd. De etalageruiten van de winkel werden met biljetten met anti-Joodse leuzen beplakt. Onbekenden belden het nummer van de zaak om brandstichting of glasschade aan te kondigen.
Dochter Grete Loeb, directiesecretaresse bij het Rijksmuseum van Oudheden werd – ondanks het verzet van de toenmalige directeur – vanwege haar Joods-zijn ontslagen.
Niet-Joden werd streng ontraden om nog langer diensten te verlenen aan Joden. In dat toenemend vijandige klimaat is het aannemelijk dat er een vertrouwensband groeide tussen Joden en anti-Duits gezinde niet-Joden. Arie van de Nadort behoorde tot de laatste groep.
MALAISE
Het eerste schriftelijke bewijs voor Arie’s openlijke kritiek op de haatzaaierij tegen Joodse stadsgenoten vond ik in de onlangs doorzoekbaar gemaakte database met rapporten van de Leidse politie in oorlogstijd. Op zaterdag 13 september 1941 staat genoteerd:
‘Te 8 uur – Telefonisch bericht van den boekhouder der fa. Loeb, dat op de Breestraat voor de zaak is gekalkt: “Weg met de Joden” N.S.D.A.P. Hij is van meening dat dit opschrift door hun verwijderd mag worden. Geantwoord dat hiervan geen sprake kan zijn.’
Dat de firma Loeb zelfs niet veilig was voor bedreigingen van binnenuit bleek, toen vader Ernst op woensdag 15 april 1942 in arrest werd gesteld nadat een kantoormedewerker met N.S.B.-sympathieën hem had aangegeven vanwege verboden wapenbezit: het ging daarbij om een dolkvormige briefopener. Na een detentie van twee weken in Scheveningen en een korte invrijheidstelling werd Ernst Loeb op maandag 20 juli 1942 definitief opgepakt en op transport gesteld om in Auschwitz te worden vermoord.
Het is niet waarschijnlijk dat de meubelzaak onder de toenemende repressie en de financiële malaise nog veel omzet boekte. De klanten die voor de oorlog op afbetaling hadden gekocht, hadden na het begin van oorlog weinig zin om hun gekochte waar af te betalen. Veel boekhoudkundig werk zal het Arie van de Nadort niet hebben opgeleverd. Desondanks bleef de band met de familie Loeb intact.
RAZZIA
Toen Arie hoorde, dat er op woensdag 17 maart 1943 een grote razzia op Leidse Joden zou plaatsvinden, haalde hij Grete Loeb, die als laatste gezinslid in de meubelwinkel was achtergebleven, op de Breestraat op, om haar mee naar zijn huis te nemen. Terwijl Grete haar tasje voor haar gele ster hield, zagen ze onderweg hoe andere Joden door de politie werden opgepakt.
Diezelfde avond nog bracht Arie haar weer terug naar huis. Daar aangekomen zagen ze dat de huisdeur, die in de steeg om de hoek van de winkel zat, was geforceerd en dat er was ingebroken.
Grete deed die nacht geen oog dicht en nam de volgende dag de trein naar Amsterdam waar haar broer en haar moeder verbleven. Om een kaartje te kunnen kopen moest ze de gele ster van haar jas afhalen. Ze stond doodsangsten uit.
RAADSEL
Terug naar de briefkaart. Of Louis na ontvangst van de retourgezonden briefkaart op een andere manier heeft geprobeerd contact te maken met Arie van de Nadort, en wat voor rol de rugzakken hebben gespeeld, is onbekend. Het lijdt geen twijfel dat Arie van de Nadort door zijn loyaliteit aan de familie en zijn kritiek op de anti-Joodse maatregelen op goede voet stond met de familie Loeb. De ‘iemand, die blijkbaar goed met U bekend is’ waarover Louis schrijft, was mogelijk Grete Loeb, die op zaterdag 4 september 1943 vanuit Westerbork naar Theresienstadt werd gedeporteerd. Zekerheid daarover zullen we niet meer krijgen, want het noodlot kwam tussenbeide.
ONHEIL
In de archieven stuitte ik pas weer op de naam ‘van de Nadort’ in een nummer van de Nieuwe Leidsche Courant, dat ruim een maand na de bevrijding verscheen. Op vrijdag 8 juni 1945 plaatste de krant het bericht van Arie’s overlijden ten gevolge van een ‘noodlottig ongeval’. Waaruit dat noodlottig ongeval bestond, werd niet vermeld. Wederom een letterlijke greep uit de rapporten van de Leidse Politie van maandag 4 juni 1945:
‘Te 12.30 uur – Geeft de politie te Oegstgeest kennis, dat aldaar te zes uur vijfenveertig is aangereden en gedood, Arie van den* Nadort, geboren te Leiden, 29** Juli 1909, wonende te Leiden, Tesselschadestraat 27a. Verzocht wordt de familie te waarschuwen. Is door agent Eling medegedeeld.’
* ‘den’ moet ‘de’ zijn ** ‘29’ moet ‘22’ zijn
VERSTOPPERTJE
Na een flinke zoektocht op het web kwam ik Arie’s inmiddels 82-jarige dochter Elly van der Kwaak-van de Nadort op het spoor. Een van de dingen die haar van de oorlogsjaren zijn bijgebleven, is het spannende verhaal dat moeder Adriana haar vertelde over de razzia die in januari 1945 in het Morskwartier plaatsvond. Terwijl Arie zich onder een luik in de zoldervloer had verstopt, hield Adriana een verdieping lager de adem in, doodsbenauwd dat de Grüne Polizei bij hen zou aanbellen en het luik op zolder zou ontdekken of de dubbele bodem in de kinderwagen van Elly’s pasgeboren broertje, waaronder de blaadjes van de illegaliteit verborgen zaten die Arie in de wijk verspreidde. Gelukkig gebeurde dat niet.
Elly en Adriana hadden het na de oorlog nog wel eens over dat luik op zolder gehad waarachter kennelijk ‘geheime dingen’ werden verstopt die na de bevrijding werden opgehaald door vreemden.
DRONKEN CANADEES
Maar wat Elly zich na al die jaren toch het meest levendig voor de geest kon halen was het ontroostbare verdriet van haar moeder toen een politieagent haar meedeelde, dat Arie was overleden. Elly was op dat moment zes en een half jaar oud.
Over de toedracht van het ‘noodlottig ongeval’ wist ze te vertellen dat haar vader die maandagmorgen in alle vroegte naar zijn werk in Voorhout fietste toen hij in Oegstgeest op het fietspad werd aangereden door een militair voertuig, bestuurd door een dronken Canadees. Het toegebrachte letsel: een gebroken nek, was zo ernstig dat Arie ter plaatse overleed. Op slag nuchter, laadden de soldaten Arie’s overschot in het voertuig, om er vijf uur en drie kwartier doelloos mee rond te rijden; tijd die ze kennelijk nodig hadden om de moed te verzamelen om het ongeluk aan de Oegstgeester politie te melden.
De broer en een zwager van Arie zetten juridische stappen tegen de betrokken soldaten, maar het enthousiasme om de verantwoordelijke Canadezen te vervolgen was gering. Tijdens het verhoor legden de betrokken militairen tegenstrijdige verklaringen af; ze schoven de schuld voor het ongeluk op Arie af. De Canadese autoriteiten traineerden de zaak, in de hoop dat de familie zou afhaken. Misschien rekenden ze erop, dat het krediet dat ze als bevrijders hadden opgebouwd zou volstaan om ze zo’n ‘schoonheidsfoutje’ te vergeven. Maar de aanklagers gaven niet op.
Na tien jaar kwam er een eind aan de lijdensweg toen de staat Canada Arie’s weduwe eenmalig een substantiële schadevergoeding toekende. De familie vatte het op als een late schuldbekentenis en, moe van het procederen, liet het daarbij.
DE VERLIEZERS
Het overschot van Arie van de Nadort werd op zaterdag 9 juni 1945 op de begraafplaats Rhijnhof ter aarde besteld. Het verlate oorlogsslachtoffer werd 35 jaar oud. Hij liet een vrouw en twee kinderen achter.
Ook al bewaart Elly fijne herinneringen aan de dag waarop ze samen met haar broertje, moeder en vader en een grote groep Leidenaars op de Morsweg de bevrijding vierden, de Dodenherdenking op 4 mei en de viering van het einde van de tweede wereldoorlog zullen bij haar levenslang tegenstrijdige gevoelens oproepen. Moeder Adriana heeft na Arie nooit meer een nieuwe relatie gewild.
Grete Loeb, die achtereenvolgens in Barneveld, Westerbork, Theresienstadt en Zwitserland verbleef, overleefde de oorlog. Toen ze na de bevrijding berooid in Leiden terugkeerde liet ze Adriana van de Nadort, als provisorische blijk van waardering voor de verdiensten van Arie en als troost voor het verlies van haar echtgenoot, iets uitzoeken uit de restanten van de geschonden meubelzaak.
Na vader Ernst Loeb werden ook moeder Jenny en de zoons Herbert en Hans Loeb en hun echtgenotes opgepakt en in de vernietigingskampen vermoord.
[Proloog]
Bij het transcriberen van de correspondentie van haar familie, stuit Liesbeth Molenberg in een aan haar moeder en oma gerichte brief van 7 juli 1945 op een alinea waarin Louis genoemd wordt:
‘Louis Weijl werd na de bevrijding voor een verhoor door de politie opgehaald en was na 2 weken nog niet terug. Niemand begrijpt wat er achter zit. Gertrud zei dat hij zich van niets bewust was.’
In het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging van het Nationaal Archief vind ik een dossier van de Politieke Recherche Afdeling Leiden over Louis’ aanhouding.
Bron: Nationaal archief, PRA Leiden alphab. / DOSSIER 94969 / WEYL, L
Op zondag 27 mei 1945, 22 dagen na de bevrijding, kreeg de advocaat en procureur Louis Weijl in zijn woning aan de Haagse Riouwstraat 210 bezoek van twee inspecteurs van de Gemeentepolitie ‘s-Gravenhage. Zij verklaarden dat zij hem in opdracht van de Canadian Field Security Service naar Leiden moesten overbrengen. Daar zou hij ter beschikking worden gesteld van het geallieerd militair gezag. De mannen konden hun opdracht niet nader toelichten. Als jurist was Louis zich bewust van zijn rechten en verzocht hij de inspecteurs hun aanhoudingsbevel te tonen, wat ze niet konden. Om mogelijk verzet in de kiem te smoren verklaarden de mannen vastberaden te zijn hun opdracht goedschiks dan wel kwaadschiks uit te voeren. Louis bond daarop in. Hem werd geadviseerd om een paar dekens mee te nemen voor het geval hij in Leiden moest overnachten. In het zijspan van een motorfiets werd hij naar het Haagse bureau van politie aan de Laan Copes van Cattenburch overgebracht.
TERRIËR
Als kind droomde Louis al van een carrière als advocaat. Om zijn droom waar te maken, stak hij al zijn vrije tijd in de voorbereiding op het staatsexamen, waarvoor hij moest slagen om te mogen studeren. Twaalf keer liet een miezerige examencommissie hem zakken, maar Louis zette door en slaagde: op zijn 37e jaar mocht hij eindelijk aan zijn rechtenstudie beginnen. Acht jaar later was hij meester in de rechten.
Uit de rechtbankverslagen rijst Louis op als een onafhankelijke geest met een missie, die misschien niet altijd even soepel in de omgang is. Een terriër, waarvan de principieel kritische houding en gedrevenheid bewondering moet hebben geoogst maar ook mensen op de kast zal hebben gejaagd. Of antisemitisch sentiment daarbij een rol heeft gespeeld is onzeker.
Op het moment van de Duitse inval werkte Louis als strafpleiter en procureur vanuit zijn kantoor aan de Apothekersdijk 4 in Leiden. Ondanks de afnemende vraag naar zijn dienstverlening kon hij zijn beroep zonder Duitse inmenging uitoefenen tot 22 oktober 1941. Op die dag werd het voor Joodse advocaten verboden om zaken voor niet-Joden te behandelen. Louis zag zich gedwongen om zijn kantoor te sluiten, om zijn beroepspraktijk pas op 5 mei 1945 weer op te nemen. Ondertussen leefde hij van de opbrengst van het verhuren van een vijftal kamers.
VRIJSTELLING VAN HET DRAGEN VAN DE JODENSTER
Sinds de bezetting was het Louis meerdere malen gelukt – soms op natuurlijke wijze ‘geholpen’ door zijn slechte lichamelijke conditie - om de dans met de bezetter te ontspringen. Kennelijk speelde hij daarmee het leger kwaadsprekers in de kaart.
Op 21 september 1942 ontving Louis een oproep van het Gewestelijk Arbeidsbureau te Den Haag om zich de volgende ochtend aldaar te melden voor tewerkstelling in een Nederlands werkkamp. Hij diende een bezwaarschrift in, waarin hij zich beriep op een in 1903 door de Militieraad aan hem verleende vrijstelling van militaire dienst op grond van het bij hem geconstateerde ‘ernstig gemis van lichtontwaring door zwarte staar.’ Om de ernst van zijn oogkwaal te bevestigen en zijn ongeschiktheid voor tewerkstelling te onderbouwen schakelde hij de Leidse hoogleraar Oogheelkunde Jan van der Hoeve in. Op grond van diens attest werd Louis vrijgesteld van de arbeidsinzet voor Joden.
Eind 1943 konden gemengd gehuwde Joden, zoals Louis, van Duitse zijde aanspraak maken op meer bewegingsvrijheid, een ruimere beroepskeuze en vrijstelling van het dragen van de Jodenster, als ze zich óf lieten steriliseren, óf als ze een attest konden overleggen waaruit bleek dat ze geen kinderen konden verwekken. Louis wendde zich tot professor Michaels die, na hem genetisch onderzocht te hebben, een verklaring afgaf waaruit bleek dat hij ‘naar alle waarschijnlijkheid geen kinderen kan verwekken.’ De verklaring werd afgegeven aan de Prüfungsstelle te Amsterdam.
In januari 1944 werd Louis vrijgesteld van het dragen van de Jodenster. Hij liet een fotokopie van de dispensatie maken, die hij voortaan altijd bij zich droeg. In zijn nieuwe persoonsbewijs werd een rood omrande ‘J’ gestempeld in plaats van de zwarte ‘J’.
ONT-STERD OP ONDERZOEK UIT
Zodra hij weer van alle openbare middelen gebruik mocht maken, begaf Louis zich naar Leiden om de belangen van zijn broer Joseph Michael en zijn zusters Helena, Judith en Alida, die op 17 maart 1943 door de nazi’s waren opgepakt, te behartigen, een wakend oog te houden op het perceel Kloksteeg 3 en de uit het huis verdwenen inventaris op te sporen.
Louis was geen vreemde in Leiden. Bekenden die hij op zijn voettochten door Leiden tegenkwam verbaasden zich erover, dat hij geen ster droeg. Sommigen spraken hem daarop aan. Een in dit verband gehoorde getuige verklaarde dat Louis, op zijn vraag waarom hij geen ster droeg, antwoordde: ‘Er zijn ook vallende sterren.’ Een ander vertelde dat Louis hem desgevraagd een in het Duits gestelde dispensatie voor het dragen van de Jodenster liet zien.
Een spoor naar de uit het huis aan de Kloksteeg verdwenen inventaris leidde naar het Leidse Belastingkantoor, waar Louis’ jongste zuster Alida tot kort na de bezetting als Schrijver der 1e Klasse op de 2e Afdeling Inspectie had gewerkt. In oktober 1940 werd ze in het kader van de zuiveringsplannen uit Rijksdienst ontslagen. Kort voor haar deportatie in maart 1943 gaf Alida enige meubelstukken en een geldbedrag in bewaring aan een collega en de conciërge van het Belastingkantoor.
Toen Louis het Belastingkantoor tijdens de bezetting zonder Jodenster bezocht om navraag te doen naar een collega van Alida, stond de vrouw van de conciërge hem te woord. Louis’ belangstelling voor L. J. Van Dijk, die in verband met de overval op het bevolkingsregister te Amsterdam was ondergedoken, deed alarmbellen op de afdeling rinkelen. Eén van de ambtenaren die de vrouw met Louis zag praten, belde haar per huistelefoon op om haar te waarschuwen, dat zij voorzichtig met hem moest zijn. Uit twee in het proces verbaal opgenomen verklaringen blijkt dat álle Belastingambtenaren elkaar per huistelefoon inseinden zodra Louis op kantoor verscheen. Waarop dat wantrouwen was gebaseerd wordt niet duidelijk.
Na de oorlog verklaarde voornoemde Van Dijk dat hij Louis via zijn zuster kende en dat hij hem tijdens zijn onderduik zelfs een paar keer had ontmoet. Van kwade bedoelingen had hij nooit iets gemerkt.
Joden die tijdens de oorlog werden vrijgesteld van het dragen van een Jodenster en gebruik maakten van hun ‘privileges’ om zich in plantsoenen op te houden en te reizen met het openbaar vervoer, werden met groeiende argwaan bekeken.
De bij Louis’ aanhouding door zijn Litouwse echtgenote Gertrud Wittkus-Weijl geuite veronderstelling, dat Louis slachtoffer was van ongegronde lasterpraatjes was niet uit de lucht gegrepen.
ZONDER OPGAAF VAN REDEN ACHTER DE TRALIES
Terug naar de lotgevallen van de arrestant: Na enige tijd te hebben doorgebracht op het bureau van Politie aan de Haagse Laan Copes van Cattenburch leverden twee Canadese militairen Louis af bij het hoofdkwartier van de Canadese Politie aan de Burggravenlaan in Leiden. Daar kreeg hij officieel te horen dat hij arrestant was. Nadat hij de inhoud van zijn broek- en jaszakken op tafel had gedeponeerd werd hij per jeep overgebracht naar het politiebureau aan de Zonneveldstraat te Leiden, waar hij werd ingesloten. Ondanks zijn herhaalde verzoek werd het hem niet toegestaan het hoofd van de Politieke Opsporingsdienst (P.O.D.) te spreken te krijgen om hem naar de reden van zijn arrestatie en vrijheidsbeneming te vragen. Na zeventien dagen hechtenis nam rechercheur Huyskes Louis een langverwacht verhoor af.
Op 14 juni 1945 bezorgde Gertrud Wittkus-Weijl een brief bij het militair gezag te Leiden. Daarin verzocht zij de Militair Commissaris om haar echtgenoot, die zonder opgaaf van reden en zonder te zijn verhoord bijna 3 weken werd vastgehouden, onmiddellijk vrij te laten, of hem op zijn minst te verhoren, ‘zodat de aangelegenheid zo spoedig mogelijk in het reine kan worden gebracht, temeer daar mijn man Israëliet is en gedurende de 5 oorlogsjaren voldoende heeft meegemaakt onder de Duitse bezetting.’ Ze sloot een lijstje in met namen van betrouwbare personen, die konden instaan voor de goede naam en eer van haar echtgenoot.
De brief zette iets in beweging. De dag daarop werd Louis, na negentien dagen onterechte vrijheidsberoving, om 15 uur in vrijheid gesteld. Brigadier Boersma bevestigde zijn vermoeden dat hij was gearresteerd op verdenking van hulpverlening aan de vijand. Strijdvaardig eiste Louis een officiële verklaring van politieke betrouwbaarheid, die hij een maand later daadwerkelijk ontving.
SPECULATIES OVER DE ROL VAN EEN OUDE BEKENDE
In zijn cel had Louis alle tijd om te na te denken over de kandidaten die zijn vrijheidsberoving op hun geweten konden hebben. Daarvoor moest hij graven in zijn geheugen. Een dag in 1944, waarop hij de boekhandel van Maarten Dubbeldeman bezocht, had hem bijzonder verontrust.
Dubbeldeman werd in 1903 als spoorwegleider ontslagen vanwege zijn deelname aan de spoorwegstaking. Daarop begon hij een boekhandel in het perceel Kloksteeg 10, schuin tegenover de bakkerij van de familie Weijl. Om Dubbeldeman te steunen kocht Louis indertijd vrijwel alle benodigde boeken voor zijn rechtenstudie bij hem. Sindsdien beschouwde Louis hem als een oude bekende. Maar die ene keer waarop Louis hem, zonder ster, in zijn nieuwe zaak aan de Breestraat bezocht, gedroeg Dubbeldeman zich vreemd. Hij negeerde Louis’ groet en verliet de winkel zonder een woord te zeggen. Louis stond perplex. Dubbeldemans gedrag was niet te rijmen met het beeld van de bevlogen winkelier die zijn zaak in het verleden regelmatig had opengesteld voor lezingen over de grondslagen van het socialisme en zich voor het algemeen kiesrecht had ingezet. Louis hield er een uiterst ongemakkelijk gevoel aan. Hadden rioolpraatjes en stokerijen van het gepeupel Dubbeldeman in zijn greep gekregen?
AANGIFTE TEGEN DUBBELDEMAN
Na zijn vrijlating liet Louis geen kans ongemoeid om de bron van het hem aangedane leed te achterhalen. Een collega-jurist had Louis kort voor de bevrijding toevertrouwd, dat zijn politieke gedragingen tijdens de bezetting ‘niet gunstig werden beoordeeld.’ Toen Louis in februari 1950 in de advocatenkamer van het Haagse Gerechtshof deze met de zaak vertrouwde collega-jurist op de man af vroeg of Dubbeldeman de oorzaak van zijn arrestatie was geweest, antwoordde deze zonder omhaal dat dat inderdaad het geval was. Een derde aanwezige deed daarop een dringend beroep op Louis om de zaak verder te laten rusten. Maar Louis zette door.
Op 4 maart 1950 deed Louis bij H. Boorsma, hoofdagent van Politie te Leiden, aangifte van een misdrijf met ongegronde vrijheidsberoving tot gevolg. Hij verzocht Boorsma een onderzoek in te stellen naar de gedragingen van Dubbeldeman en hem strafrechtelijk te vervolgen als mocht blijken dat hij zich aan strafbare feiten schuldig had gemaakt.
Vijf dagen later ontving Louis een brief van R. J. Meijer, commissaris van politie te Leiden met als kenmerk: ‘Onderzoek inzake arrestatie’. Meijer schreef daarin:
‘Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat ook na voortgezet onderzoek niet is kunnen blijken, dat de door u genoemde persoon in enige mate schuldig is aan Uw arrestatie.’
Het is onwaarschijnlijk dat het onderzoeksresultaat Louis heeft gerustgesteld.
Het breed gedragen wantrouwen tegen ont-sterde Joden zou Louis nog tot ver na de bevrijding achtervolgen en hem belasten bij zijn pogingen om tot bewindvoerder te worden benoemd voor het beheer van het nagelaten vermogen van zijn ‘afwezige’ broer en zusters.
[Proloog]
In een mail 16 juni 2020 wijst Alphons Siebelt me op het bestaan van de dossiers van het Nederlands Beheersinstituut waarin ik mogelijk iets over de activiteiten van Louis Weijl zou kunnen terugvinden. In het op zijn website leiden4045.nl gepubliceerde artikel ‘Onteigende en verkochte Joodse huizen’ schrijft hij: “Enkele panden, waarvan we weten dat ze bewoond werden door de eigenaar ontbreken in de boeken. Een voorbeeld is het pand van Weijl in de Kloksteeg”. In het artikel ‘Ontruiming van woningen door de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg’ lees ik: “Het pand van de bakkerij in de Kloksteeg was niet verkocht.” Informatie die mijn nieuwsgierigheid voedt. Een zoekopdracht in de database van het Nationaal Archief met de term ‘Weyl’ levert 2 dossiers op. Op 5 januari 2022 kan ik de stukken op de studiezaal inzien.
De dossiers geven een ontluisterend beeld van de wijze waarop bevrijd Nederland met een deel van het collectief besmet verleden dacht te kunnen afrekenen. Formeel, zuinig en vooringenomen waar het de zwaarst getroffenen betreft.
Bronnen: Nationaal archief, Beheersdossiers (NBI) inv. nr. 185990 (Weyl, J.M., Leiden) & inv. nr. 186006 (Weyl, L., Leiden)
Op 8 december 1944 nam het Nederlands Militair Gezag een voorschot op de Bevrijding met de instelling van het Militair Commissariaat voor het Rechtsherstel. Het zou na de oorlog onder meer belast worden met de bewindvoering over vijandelijk vermogen en de nalatenschappen van gedeporteerde Joden.
VAN MILITAIR NAAR CIVIEL
Op 5 juli 1945, de bevrijding was nog maar net twee maanden oud, leverde Mr. Louis Weijl, advocaat en procureur te ’s-Gravenhage, een verzoekschrift in bij de Militaire Commissie aldaar. Hij verzocht de commissie om hem, als vermoedelijk enige overlevende zoon van de Joodse bakkersfamilie uit de Kloksteeg 3 te Leiden, tot bewindvoerder te benoemen over de nalatenschap van zijn ‘afwezige’ broer Joseph Michael en zijn vier zusters Helena, Judith, Hanna en Alida Weijl.
Begin augustus 1945 droeg het Militaire Commissariaat haar beheerstaak over aan haar civiele opvolger: het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Het NBI liet zich te Leiden vertegenwoordigen door het plaatselijke hoofd van de Inspectie der Directe Belastingen 1ste Afdeling, Johannes Lubbers, die tevens werd aangesteld als voorzitter van de plaatselijke Adviescommissie te Leiden, met de bevoegdheid om bewindvoerders voor te dragen en te benoemen. Louis’ verzoekschrift verhuisde dus van het bureau van het Commissariaat naar het bureau van Lubbers.
SCHIMMIGE BESLUITVORMING
Omdat Louis het van belang vond om zijn rekest aan de Adviescommissie toe te lichten, legde hij meerdere bezoeken aan Leiden af. Tot zijn verbazing kreeg hij geen enkele keer iemand te spreken. Verontrust door het uitblijven van een schriftelijke reactie op zijn verzoekschrift schakelde Louis een confrère in, om - als neutraal tussenpersoon – het secretariaat van de commissie om opheldering te vragen. Via hem kwam Louis erachter, dat de Plaatselijke Adviescommissie inmiddels niet hem, maar de Leidse advocaat Mr. Ph. J. De Ruyter de Wildt als bewindvoerder over het vermogen van zijn broer en zusters had aangesteld.
Louis weigerde zijn diskwalificatie zonder slag of stoot te accepteren en pakte de trein naar Leiden. Allereerst bezocht hij Mr. De Ruyter de Wildt in zijn kantoor aan de Breestraat. Tijdens dat onderhoud bevestigde De Ruyter de Wildt zijn benoeming, maar zegde toe, dat hij van zijn bewindvoering afstand wilde doen, als het NBI Louis officieel in zijn plaats zou benoemen.
Met die toezegging achter de hand bezocht Louis vervolgens de voorzitter van het Plaatselijke Adviescommissie én vertegenwoordiger van het NBI te Leiden. Lubbers reageerde uiterst onvriendelijk op Louis’ bezoek. Hij deelde hem mee dat hij niets voor een overdracht van bevoegdheden voelde, omdat er ‘tegenstrijdige belangen konden zijn.’ Na Louis erop te hebben gewezen dat zijn bezoek een ongewenste inbreuk vormde op zijn kostbare tijd, wees Lubbers hem de deur. Louis kon niet anders dan concluderen, dat Lubbers zijn benoeming van De Ruyter de Wildt op onzuivere, persoonlijke motieven had gebaseerd en dat zijn besluit daarom nietig moest worden verklaard. Zijn veronderstelling bleek niet uit de lucht gegrepen.
LASTER
Louis vermoedde dat een recente gebeurtenis mogelijk een cruciale rol had gespeeld bij de besluitvorming binnen het NBI. Drie weken na de bevrijding was hij namelijk door twee inspecteurs van de Gemeentepolitie ’s-Gravenhage in zijn woning aan de Haagse Riouwstraat 210 aangehouden op verdenking van hulpverlening aan de vijand. Hij werd naar een cel in het hoofdbureau van politie te Leiden overgebracht, waar hij negentien dagen onterecht van zijn vrijheid werd beroofd. Het onderzoek naar zijn beweerde ‘foute’ dienstverlening liep op niets uit.
Louis was ervan overtuigd dat de aangifte iets te maken had met zijn vrijstelling van het dragen van de Jodenster, die hem begin 1944 op grond van zijn aantoonbare lichamelijke gebreken door de bezetter was verleend. Blijkbaar had zijn ont-sterde verschijning in Leiden de fantasie van kwaadaardig volk op hol gebracht en tot de aangifte van collaboratie geleid.
In verband met de actuele benoemingsperikelen schoot Louis een van zijn bezoekjes aan het belastingkantoor te binnen, dat hij in het laatste oorlogsjaar zonder Jodenster had afgelegd om informatie te verzamelen over zijn gedeporteerde jongste zus Alida. Wat hem daarvan vooral was bijgebleven, was de ijzige ontvangst.
MET DE BILLEN BLOOT
Intussen had het bureau ’s-Gravenhage van het NBI Louis’ verzoekschrift van 5 juli 1945 onder ogen gekregen. De directie was geïnteresseerd in de gronden van het NBI te Leiden, om NIET Louis - zowel naast familielid van de ‘afwezigen’ als beëdigd advocaat en procureur - maar Mr. De Ruyter de Wildt tot bewindvoerder te benoemen.
Lubbers werd verzocht om zijn besluit schriftelijk te motiveren. Op 5 oktober 1945 deed hij dat als volgt:
‘[…] Verder buiten beschouwing latende het feit, dat wel niemand te dezer stede genoemde jurist [= Louis] ooit in enig opzicht een teveel aan schroomvalligheid heeft kunnen verwijten waar het gold de behartiging zijner belangen of vermeende belangen (eerder het tegendeel), is de reputatie van Mr. Weyl – het worde hier strikt vertrouwelijk medegedeeld – in deze stad in verschillende opzichten niet zodanig, dat ik haar als achttien karaats zou willen aanmerken. Met het oog op dit laatste leek het mij zeer ongewenst, ook al met het oog op de aanwezigheid van vele sieraden en andere kostbaarheden in de boedel der afwezigen, om Mr. Weyl de bewindvoering toe te vertrouwen. Naar mijn mening doen zich ten aanzien van zodanige benoeming tegenstrijdige belangen voor. Ik heb mij daarom gehouden aan de voorschriften van de Leidraad blz. 12 en heb Mr. De Ruyter de Wildt benoemd.’
Tien dagen later meende Lubbers de juistheid van zijn besluit nog steviger te kunnen onderbouwen met de mededeling:
‘[…] Destijds is door een der zusters van Mr. Weyl [= Louis’ jongste zus Alida, die als Schrijver der 1e Klasse op de 2e Afdeling Inspectie van het Leidse belastingkantoor werkzaam was] aan de toenmalig Inspecteur der Belastingen te Leiden met zoveel woorden verzocht, niet haar broer [= Louis] het beheer over haar boedel te geven, indien haar iets zou overkomen ten gevolge van de bezettingsmaatregelen. Een inwoner van Leiden, die meubelen van een der dames Weyl in bewaring heeft, heeft verklaard deze eerder aan het Nederlands Volksherstel beschikbaar te zullen stellen, dan deze meubelen aan Mr. Weyl uit te leveren.’
BEZWAARSCHRIFT
Onwetend van de lastercampagne die achter de schermen tegen hem werd gevoerd, besloot Louis tegen de benoeming van De Ruyter de Wildt in beroep te komen. Op 1 november 1945 diende hij een bezwaarschrift in bij de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor Rechtsherstel. Daarin wond hij er geen doekjes om. Allereerst benadrukte hij, dat hij bereid en in staat was om elk argument, waarmee hem het recht op de bewindvoering over het vermogen van zijn broer en zusters kon worden ontzegd, volkomen te ontzenuwen.
Zijn kritiek op de voorzitter van de Adviescommissie, tevens vertegenwoordiger van het NBI te Leiden, was verre van mals: Hij verweet Lubbers c.s, dat ze methoden op hem toepasten, die niet afweken van de methoden die de bezetter tijdens de oorlog had toegepast.
Vervolgens maakte hij het nog persoonlijker door de Raad te wijzen op het voornoemde feit, dat hij drie weken na de bevrijding volkomen onterecht was gearresteerd op verdenking van hulpverlening aan de vijand, alleen omdat hij kort na 1 februari 1944 te Leiden was gezien zonder Jodenster en ‘dat hij gegronde redenen had om aan te nemen, dat Mr. Lubbers aan zijn arrestatie niet vreemd was geweest’.
Louis sloot zijn bezwaarschrift af met de conclusie, ‘dat het Uw college behage het hem aangedane onrecht te herstellen en de benoeming, gedaan door de Vertegenwoordiger van het Nederlandse Beheersinstituut d.d. 28 Augustus 1945, waarbij Mr. Ph. J. De Ruyter de Wildt te Oegstgeest werd benoemd tot bewindvoerder voor zijn broer en zusters voornoemd, op bovenstaande en eventueel nog nader aan te voeren gronden nietig te verklaren, althans dit benoemingsbesluit te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verzoeker te benoemen tot bewindvoerder voor zijn broer en zusters hierboven genoemd.’
De Raad repliceert ‘dat het Beheersinstituut het onnodig vindt in te gaan op al datgeen wat requestrant omtrent zijn eigen persoon en zijn ervaringen mededeelt, daar het medegedeelde niet ter zake dienend is.’
DE LIJST DIE NIET BESTOND
Als lid van de familie Weijl bezat Louis informatie over zaken die De Ruyter de Wildt onmogelijk kon hebben. Louis was gemengd gehuwd met de niet-Joodse Gertrud Wittkus. Het reisverbod dat vanaf 1 februari 1942 voor Joden gold, gold niet voor haar. Via haar kon Louis contact houden met de Leidse familietak.
Op 17 maart 1943 was Gertrud aanwezig bij de aanhouding van haar zwager en haar drie schoonzusters in de Kloksteeg. Kort voordat ze werd weggevoerd, vertrouwde Alida nog aan Gertrud toe, dat een collega bij de Belastingdienst in het bezit was van een volledige lijst van de door de familie in bewaring gegeven goederen, inclusief de vermelding van de namen van de bewaarnemers.
Die op de valreep gedane ontboezeming zou de bewering van de belastingambtenaar kunnen ontkrachten, dat Alida haar broer buiten spel wilde zetten bij de verdeling van haar erfenis. Zo’n geheim verklap je immers niet aan de echtgenote van de persoon die je het beheer over je boedel niet gunt? Maar het kan ook zijn dat Alida zich, onder druk van het mogelijk definitieve afscheid, had bedacht.
Louis bracht De Ruyter de Wildt van het bestaan van die lijst op de hoogte. Die schakelde op zijn beurt weer Lubbers in, destijds hoofd van de Belastingdienst waaronder Alida ressorteerde. Lubbers startte een onderzoek onder Alida’s naaste collega’s. Een van hen wist zich te herinneren dat er weliswaar over het aanleggen van een lijst van ‘ondergedoken’ goederen was gesproken, maar dat daarvan was afgezien vanwege de daaraan verbonden hoge risicofactor. Lubbers concludeerde dus, dat de genoemde lijst niet bestond en De Ruyter de Wildt liet het daarbij.
Dat Lubbers geen enkele indicatie had voor de omvang van de in bewaring gegeven goederen, klopt niet. In zijn vertrouwelijke brief van 5 oktober 1945 aan zijn superieuren noemde hij ‘de aanwezigheid van vele sieraden en andere kostbaarheden in de boedel der afwezigen.’
Op Louis’ aanwijzing dat een Kloksteegbewoner wel over een lijst leek te beschikken, ondernam De Ruyter de Wildt geen actie. Stuk voor stuk ontwikkelingen die Louis’ wantrouwen tegen het gevoerde bewind versterkten.
DE LIJST DIE WEL BESTOND
Louis had inmiddels op eigen houtje contact gelegd met de voornoemde Kloksteegbewoner. Het gesprek met de buurman van nummer 9 verliep aanvankelijk stroef. De heer Van der Keur, die Louis’ familie tijdens de oorlog van dienst was geweest, beschreef Louis na hun eerste ontmoeting als ‘een nog steeds in goeden doen zijnd familielid van de getroffenen, die mij niet de geschikte persoon scheen om verder mee in zee te gaan’. Daarin klonk de – in dat door achterdocht en rancune vergiftigde klimaat – gangbare mening door, dat elke Jood die niet berooid, uitgemergeld of gedesillusioneerd is, verdacht was. Het kostte Louis ruim een jaar om Van der Keur van zijn argwaan te bevrijden.
Van der Keur had in juni 1942, kort nadat Seyss-Inquart, Rijks-commissaris voor het bezette Nederlandse gebied, een aanscherping van de eerste Liro-verordening uit 1941 afkondigde, al verschillende kostbaarheden voor de familie Weijl in verzekerde bewaring genomen.
Met de Liro-verordeningen verplichtten de bezetters Nederlandse Joden al hun eigendommen in de vorm van contanten, effecten, banktegoeden, kunst en edelmetalen voorwerpen uiterlijk op 30 juni 1942 af te geven bij de bankiersfirma Lippmann, Rosenthal & Co in Amsterdam. Zaken die voor afdracht werden uitgezonderd waren: eigen trouwringen en die van een overleden echtgenoot, zilveren pols- en zakhorloges in persoonlijk gebruik, per gezinslid een vierdelig eetbestek bestaande uit mes, vork, soeplepel en desertlepel en ten slotte gebitvullingen uit edele metalen in persoonlijk gebruik.
De goederen die Van der Keur in bewaring nam werden beschreven op een lijst die hij van een van de zusters Weijl ontving: twee velletjes met vulpen dichtbeschreven papier waarop gouden en zilveren dames- en herensieraden, tafelzilver, porceleinen vaatwerk, koperen kandelaars en tinnen bekers werden vermeld.
De aanwezigheid van koperen en tinnen voorwerpen op de lijst bewijzen, dat de familie bij de eerdere, in juni 1941 afgekondigde verplichting tot het inleveren van voorwerpen van koper, brons en tin al flink wat zaken had achtergehouden.
Naast de bij Van der Keur ondergebrachte goederen vermeldde de lijst nog een piano, twee naaimachines, divers meubilair en overige huisraad zonder vermelding van de bewaarnemers.
VRAAGTEKENS
Louis’ bezwaarprocedure sleepte zich ondertussen al acht maanden voort. Pas op 16 mei 1946 draaide het bureau ‘s-Gravenhage van het NBI de aanstelling van De Ruyter de Wildt terug en benoemde het Louis tot officieel bewindvoerder over het vermogen van zijn broer en zusters; per 24 december 1946 ook over het perceel aan de Kloksteeg.
Het bewind van De Ruyter de Wildt had tot dusverre weinig concreets opgeleverd. Eén van Alida’s collega’s op het Leidse belastingkantoor zegde toe, dat hij de 250 gulden die hij van haar in bewaring had genomen, zou afdragen. Toen Louis die collega later confronteerde met een aanwijzing dat zijn opgaaf onjuist was, erkende deze dat hij de som van 800 gulden ‘onder zich had’ en dus een bedrag van 550 gulden had verzwegen. Louis nam daarmee geen genoegen en stelde redenen te hebben om aan te nemen, dat het door deze persoon in bewaring genomen totaalbedrag nóg hoger was dan hij had aangegeven. Daarop verzocht hij Lubbers middels een keurig briefje om een onderzoek te doen instellen naar deze belastingambtenaar.
Louis had bovendien aanwijzingen dat een andere, met name genoemde bewaarneemster niet alle door haar in bewaring genomen goederen had aangegeven. Was dat misschien degene die had verklaard, dat zij die goederen nog liever aan het Nederlands Volksherstel zou afstaan, dan aan de bewindvoerder?
Maar ook een tip uit de Kloksteeg bood nieuw perspectief. De heer Van der Keur meldde het bezoek van een onbekende man, die beweerde een lijst in bezit te hebben van de door de familie Weijl in bewaring gegeven goederen. Deze man wilde zijn lijst graag met die van Van der Keur vergelijken.
De met potlood aangebrachte streepjes op de lijst van Van der Keur, waarvan een afschrift is opgenomen in het CABR-dossier, bewijzen dat die vergelijking ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en suggereren dat de niet-aangestreepte goederen nog niet zijn getraceerd. Was deze persoon misschien de belastingambtenaar met de lijst waarvan Lubbers het bestaan had ontkend?
Lubbers wilde af van het hoofdpijndossier Weijl en liet Louis weten, ‘dat ik nog eens heb geïnformeerd bij de desbetreffende personen en, zoals ik U reeds schreef, is mijn vermoeden, dat zij geen goederen van Uw familie meer onder zich hebben, juist. Bij het gevoerde onderhoud bleek mij tevens, dat U met deze omstandigheid bekend moest zijn. Ik houd mij dan ook aanbevolen van verdere correspondentie in dezen verschoond te blijven.’
LEF EN ONFATSOEN
Als nieuwe bewindvoerder stelde Louis een uitgebreide lijst op van ‘boven water gekomen’ goederen uit de persoonlijke nalatenschap van zijn broer en zusters. Daarmee kon hij hun vermogen berekenen.
Uit de lijst valt af te leiden, dat de tailleuses Judith en Helena in betere tijden stola’s van vossenbont droegen (intussen door de mot verteerd), dat ze beiden damestassen met zilveren beugels bezaten; dat Judith, Helena en Alida voor de juiste tijd alle drie op een eigen gouden polshorloge met doublé armband keken; dat Alida schoenmaat 35 had en – zoals een Schrijver der 1e Klasse betaamt – gezeten aan haar ‘dames schrijfbureautje’ schreef met een vulpen met 14 karaats gouden pen. De aan Van der Keur overhandigde lijst zou zo maar van haar hand kunnen zijn.
Joseph Michael kwam er bekaaid vanaf met 2 zilveren manchetknopen, 2 gouden ringen, 1 idem dasspeld en een beschadigd gouden remontoir zakhorloge.
Toen op 24 november 1948 nog niet alle op Van der Keurs lijst voorkomende ‘ondergedoken’ zaken boven water waren gekomen, plaatste Louis een oproep in het Leidsch Dagblad, waarin hij alle hem bekende en onbekende bewaarnemers verzocht om gelden en/of geldswaarden en/of goederen van zijn familie, voorzover zij van deze bewaarneming nog geen of slechts een gedeeltelijke opgave aan de bewindvoerder hadden gedaan of het door hen in bewaring genomene slechts gedeeltelijk aan de bewindvoerder hadden afgedragen, hiervan uiterlijk 1 december 1948 aan hem mededeling te doen.
Lubbers las Louis’ oproep en kon de insinuatie dat ‘zijn’ belastingpersoneel medeplichtig was aan verduistering niet over zijn kant laten gaan. De, intussen voormálige vertegenwoordiger van het NBI voelde zich verplicht dit ‘onfatsoen’ aan het bureau ’s-Gravenhage te melden. Op 11 december schreef hij:
‘Bijgevoegd doe ik U toekomen een exemplaar van het Leidsch Dagblad van 24 November j.l. waarin door mij aangestreept een advertentie, geplaatst door een bewindvoerder voor afwezigen. Het is mij bekend dat deze bewindvoerder een van de bewaarnemers herhaaldelijk lastig valt met een reeks van brieven, welke in een toon zijn gesteld welke nauwelijks van een meester in de rechten mag verwacht worden, en waarop door bewaarnemer dan ook niet meer wordt geantwoord, omdat het aan de heer Weyl voldoende bekend is dat deze heer aan zijn verplichtingen volgens het besluit E.100 heeft voldaan. […] Ik acht de inhoud van deze advertentie – gelet op bovenvermelde wetenschap bij de bewindvoerder – dermate onfatsoenlijk, dat ik meende niet te mogen nalaten een en ander onder Uw aandacht te brengen.’
Op 1 december 1948 verscheen een reactie van de zes met naam genoemde bewaarnemers in het Leidsch Dagblad. In een advertentie op pagina 4 verklaarden ze zich ‘VOLKOMEN te hebben gekweten van de verplichtingen tegenover de bewindvoerder’ en veegden ze hun straatje schoon.
EINDE AAN DE ONZEKERHEID
Al in mei 1946 had Louis een brief van het Nederlandse Rode Kruis ontvangen, waaruit kon worden opgemaakt dat zijn broer en zusters niet meer in leven waren, maar hard bewijs ontbrak. Louis moest dus een noodzakelijke procedure aanspannen om zijn broer en zussen officieel overleden te laten verklaren.
Op 8 september 1948 stelde de Haagse rechtbank middels een beschikking vast dat Helena, Judith, Alida en Joseph Michael Weijl op of omstreeks 26 maart 1943 in Sobibor in Polen waren overleden. Pas toen de registers van de burgerlijke stand hun bestanden hadden bijgewerkt, kon Louis naar de notaris.
Op 21 december 1948 maakte de Leidse notaris A. H. Doyer een Verklaring van Erfrecht inzake de Nalatenschap van de familie Weijl op. Daarin verklaarde hij, dat de overledenen Helena, Judith, Alida, Hanna en Joseph Michael Weyl of gelijktijdig overleden waren of volgens de wet geacht moesten worden gelijktijdig overleden te zijn en dat hun testamenten, waarin ze elkander over en weer tot erfgenamen hadden benoemd, geen effect sorteerden. Bij gebrek aan testament werd Louis hun ab intestato erfgenaam en daarmee wettelijk bevoegd en gerechtigd tot het innen en inbezitnemen van alle gelden en vermogensbestanddelen behorende tot de nalatenschap zijn broer en zusters inclusief het perceel aan de Kloksteeg.
DE AFREKENING
Begin 1948 maakte Louis de tussenbalans van het vermogen van zijn broer en zusters op. Het erf en huis aan de Kloksteeg dat Helena, Judith, Alida, Joseph Michael en Hanna Weijl in gemeenschappelijk eigendom hadden, was na hun deportatie onder beheer gekomen van het door de NSB geleide Algemeen Nederlandse Beheer van Onroerende goederen, het ANBO. In het laatste oorlogsjaar had de door het ANBO aangewezen bewoner al het houtwerk op de binnenplaats en in de bakkerij gesloopt om het als brandstof te gebruiken. De verkoopwaarde van het huis werd daarom op niet groter dan fl. 7.000 getaxeerd. Na aftrek van de fl. 4.000 voor de hypotheek die nog op het huis rustte, kwam het restvermogen onroerend goed uit op fl. 3.000. Louis voerde een vordering van fl. 12.258,50 op, vanwege oorlogsschade aan bakkerij- en winkelinventaris. Uit de stukken valt niet op te maken of die vordering werd uitbetaald.
Op 11 maart 1948 bepaalde de Afdeling Heffingen van het NBI, dat de te belasten vermogens uit onroerend goed en het bezit van - kennelijk nog uitstaande – contanten van Joseph Michael, Helena, Judith en Alida Weijl fl. 1.115 per persoon bedroegen. Het familievermogen aan sieraden en meubilair en de vordering door oorlogsschade vielen buiten de berekening.
HET SALDO
Drieëneenhalf jaar na de indiening van zijn verzoekschrift om te worden benoemd tot bewindvoerder voor zijn broer en zusters, diende Louis opnieuw een verzoekschrift in bij het bureau ’s-Gravenhave van het NBI, dit keer met het verzoek om zijn bewindvoering te beëindigen. Met ingang van 1 februari 1949 onthief het NBI Louis van zijn taken, ‘overwegende dat niet is gebleken, dat enig belang van het Koninkrijk zich tegen het eindigen der bewindvoering verzet.’ Na een moeizaam parcours, dat in hoge mate werd bepaald door schimmigheden, achterklap en mogelijk antisemitisch sentiment, was veel onzeker gebleven. De enige zekerheid die het Louis had opgeleverd is, dat hij zijn broer en vier zusters definitief had verloren.
Op 22 maart 1955 tekende Louis Weijl een petitie van de Actie Anti-Gratieverlening Oorlogsmisdadigers uit Amsterdam, tegen de omzetting van de doodstraf in levenslang voor de leiders van de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung: de nazi Aus der Fünten en Judenfischer Fischer – de Jodenjager die de dood van zijn broer en zussen op zijn geweten had.
Op 30 september 1958 overleed Louis, 74 jaar oud, in Den Haag. Hij liet zich in Driehuis-Westerveld bij IJmuiden cremeren.
Publicatie ter gelegenheid van de eerste jaardag van de op 26 maart 2021 bij de Kloksteeg nummer 3 in Leiden gelegde vijf Stolpersteine voor Helena, Joseph Michael, Judith, Hanna en Alida Weijl Laserprint, afmetingen (b x h): 125 x 200 mm., 60 pagina's, 1 afbeelding in kleur, 2 in zwart wit, handgebonden. Oplage: 45 exemplaren. © 20 maart 2022, Rotterdam. Arnold Schalks.