|
< VORIGE PROJECT
|
VOLGENDE PROJECT >
|
Solo-tentoonstelling op uitnodiging van Cees van der Geer van de Rotterdamse Kunststichting, bestaande uit twee werken: een vijfdelige installatie met glasplaten en objecten en een vierdelige installatie met lichtbakken. 12 februari t/m 21 maart 1988, Galerie 'Westersingel 8', Rotterdam.
De mens maakt de verscheidenheid van de hem omringende materie hanteerbaar door er vorm, functie, naam en betekenis aan te geven. De wijze waarop deze vier aspecten in elk afzonderlijk object verweven worden, is in zekere mate afhankelijk van persoonlijke inzichten. In deze installatie heb ik, ongehinderd door de gebruikelijke normen van doelmatigheid, gezocht naar synonymie van beeld en taal door een ruimte te scheppen, waarin zij elkaar even ongehinderd kunnen bevestigen.
In mijn vroegste werk stel ik mijzelf ten doel, begrippen op een indirecte manier voor te stellen. Begrippen zijn instrumenten van het menselijke verstand. Zij zijn niet op een directe manier aanschouwelijk te maken, omdat geen gegeven uit de werkelijkheid buiten ons ermee samenvalt.
Om vat te krijgen op het begrip is er geen andere mogelijkheid, dan het te ontleden in diens eigenschappen. Heeft men de verschillende eigenschappen onderscheiden, dan kan men deze, elk voor zich, voorstellen door een concreet voorwerp dat in grote mate diezelfde eigenschappen bezit (Bijvoorbeeld: begrip: denken - eigenschap: geheugen - voorstelling: spons).
Door een begrip als uitgangspunt te kiezen, daaraan een aantal eigenschappen te onderscheiden, deze eigenschappen voor te stellen door een aantal concrete voorwerpen, kan met die voorwerpen - mits juist geordend, dat wil zeggen op dezelfde manier met elkaar verstrengeld als men in het begrip veronderstelt - een (re-)constructie maken, die als voorstelling kan gelden voor het begrip dat als uitgangspunt diende. Mijn overweging om op deze manier te werk te gaan is niet dezelfde als die van de illustrator, maar is voor mij de manier om de werkelijkheid binnen en buiten hanteerbaar te maken.
Deze gedachtengang vindt men ook in de literatuur, namelijk: de beeldspraak.
Zintuiglijke waarneming van een object is een primaire ervaring en wel, omdat deze zonder tussenkomst van het verstand tot stand komt. Met andere woorden: zintuiglijke waarneming is geen constructie van het verstand. Om vat te krijgen op de waarneming probeert het verstand haar hanteerbaar te maken door zich er een begrip van te vormen. Eén van de wijzen waarop dit gebeurt, is door het object van de waarneming te benoemen. Door het object van een naam en later van een zorgvuldig gekozen definitie te voorzien wordt het (her)kenbaar en bruikbaar. Bij een volgende waarneming van hetzelfde object zal deze onvermijdelijk vergezeld gaan van de gekozen definitie.
Het beeld heeft in de taal een middel toegewezen gekregen, om het, waar nodig, te begeleiden. Het beeld op zich is autonoom, het heeft geen taal nodig om te bestaan. De taal is in dienst gesteld van het beeld waarnaar zij verwijst: de taal is een afgeleide van het beeld.
Het is de functie van de taal om zinvol te zijn: taal als ruimte-scheppend medium voor de verbeelding. Vanwege haar afgeleide karakter is het onvermijdelijk, dat haar woordenschat altijd onlosmakelijk verbonden zal zijn met het werkelijke gegeven (zintuiglijk of ideëel) waarop zij betrekking heeft. De waarneming op zich is echter ook een afgeleide en als zodanig gebonden aan de waarneembare ordening.
Wil de taal zinvol zijn in haar oorspronkelijke betekenis, dan zal ze van de waargenomen ordening een afspiegeling moeten zijn. Vanaf het moment, dat de taal weigert de waargenomen ordening te spiegelen, overtreedt zij de regels die aan haar functies ten grondslag lagen en gaat zij een autonoom leven leiden. Niet doordat ze dan niet meer naar de werkelijkheid verwijst, immers deze ligt in de woorden besloten, maar doordat ze de structuur die de waarneming haar gebood te beschrijven vervangt door een eigen structuur, die daarmee niet noodzakelijk wenst overeen te komen. Zo ontstaat poëzie.
In mijn latere werk besloot ik tekst en beeld op een zo autonoom mogelijke manier met elkaar te combineren. Hun ontmoeting in één beeld is niet zuiver toevallig. Op sommige punten verwijst het beeld naar de tekst en andersom, maar, nooit werkt het beeld als illustratie, nooit werkt de tekst als onderschrift bij het beeld. Het gaat mij erom, beeld en tekst op een zo gelijkwaardig mogelijke manier tegenover elkaar te stellen. Ik laat het beeld tegen de taal zeggen en de taal tegen het beeld: ‘gelijk oversteken', daarbij het risico lopend, dat beide bedrogen uitkomen.
Rotterdam januari 1988.
SCHALKS WOORD EN BEELD
Rotterdams Nieuwsblad, vrijdag 26 februari 1988
door Dolf Welling
ROTTERDAM – De manier waarop over kunst wordt geschreven verandert met die kunst. De Pop Art, die populair beeldmateriaal gebruikte, gaf critici aanleiding tot een sociologische benadering. De Minimal Art leidde tot een meer filosofische of analytische beschouwing. Het gebruik van de computer bracht de informatica in het spel, en vervolgens werden methoden van de moderne taalkunde van invloed. Nu, na het Modernisme, mag kunst weer lyrisch zijn, evocatief en irrationeel. De reacties daarop zijn ongegeneerd subjectief. In de begintijd van het Modernisme voerden vooral dichters (onder wie Charles Baudelaire) en schrijvers het woord over (en voor) nieuwe kunst. Vandaag gaan academici (Beeren, Fuchs) dichterlijk te werk. Anderzijds proberen sommige kunstenaars juist hun werk verstandelijk te analyseren. Zo geeft Arnold Schalks, die boven in de Galerie Westersingel exposeert, zich rekenschap van zijn ontwikkeling. Hij verklaart, dat hij nu beeld en tekst samenvoegt met behoud van hun zelfstandigheid. “Ik laat het beeld tegen de taal zeggen en de taal tegen het beeld: ‘gelijk oversteken’, daarbij het risico lopend, dat beide bedrogen uitkomen”. Schalks toont steeds een voorwerp als ‘beeld’ achter een glasplaat met een titel er op: de taal. Zo combineert hij een roeispaan waar een ganzenveer in steekt met het woord ‘wichelroede’. Een mes met een sierlijke golfsnede en een heft dat aan de tegenovergestelde kant gekarteld is, gaat samen met het woord ‘de continenten’ misschien omdat op oude kaarten de kust wel door zulke decoratieve golfjes wordt bespoeld. ‘de grote oversteek’ staat op het glas voor een uit één stuk hout vervaardigd stel gekoppelde scheepjes, elk met een mast. Aan één van de mastjes dient een boomblad als zeil. Aan de overkant hangt een glasplaat met de tekst: De grote oversteek / voor de lezer / de zin een zebra. / Zwart vals plat / remsporen van dingen aan het wit voorbij.
De tentoonstelling omvat ook enkele lichtbakken. De grootste is genoemd naar Charles Baudelaire en geeft op naamplaatjes onder stopcontacten de titels van de drie andere. Daardoor lezen we de initialen ‘CB’ op het sierdeksel van een autowiel als de voorletters van de dichter. Een gefotografeerd object, dat ijl is als een insectenspinsel rond takjes die op ruwe stenen rusten, blijkt een ‘maquette voor een sonnet’ te zijn. In het volgende kastje is een foto aangebracht van een urn geflankeerd door een brandende kaars en een zwarte kaars met als vlam een rood bloemblaadje. Van een ‘fleur du mal’? Titel: ‘De vorm van de bundel’.