|
< VORIGE PROJECT
|
VOLGENDE PROJECT >
|
Derde groepstentoonstelling in kunstruimte de Vrije Schuur, samengesteld & geproduceerd door Arnold Schalks, die plaatsvond in het weekend van 18 t/m 20 maart 2005. Drie dagen als een koude drempel voordat de lente aanbrak. In het zicht van verzachting, bloei en hoop werd de verstilde blik nog even naar binnen gericht. Bijdragen van Anuli Croon, Noëlle Cuppens, Ron van der Ende, Marianne Fontein, Annelies de Greef, Joannes Hoes, Lidy Jacobs, Maarten Janssen, Harriët van Reek, Agnes Roothaan, Machiel van Soest, Geerten Ten Bosch, Michel Wieggers, Jos van der Meulen, Wim van Egmond, Cora Schmeiser & Hotel Modern en vanreekentenbosch. Tentoonstellingsdata: 18 maart 2005, 19 uur (opening) tot en met 20 maart 2005, dagelijks van 14 - 20 uur, kunstruimte De Vrije Schuur, Bloklandstraat 151a, Rotterdam. 'Composed compost' werd bezocht door 162 personen.
• In de Vrije Schuur een tentoonstelling van tekeningen door: Anuli Croon, Noëlle Cuppens, Ron van der Ende, Marianne Fontein, Annelies de Greef, Joannes Hoes, Lidy Jacobs, Maarten Janssen, Harriët van Reek, Agnes Roothaan, Geerten Ten Bosch, Machiel van Soest & Michel Wieggers.
Vergankelijkheid was het materiële en thematische uitgangspunt voor de te tekenen afbeelding. De korte tentoonstellingsperiode en het vooruitzicht op het composteringsproces nodigden de kunstenaars uit tot een schetsmatige aanpak. Het materiaal waarmee werd getekend, moest door de deelnemers zelf worden bereid: de deelnemende kunstenaars ontvingen een pakket met de benodigde bestanddelen en een recept voor de vervaardiging van galnoten-inkt
• VANITASSEN en zuurdesembrood van beeldend kunstenaar Jos van der Meulen in de woonkamer
• ORGANISCH KABINET een installatie van beeldend kunstenaars Harriët van Reek en Geerten Ten Bosch in de slaapkamer. Vanreekentenbosch behandelde gasten op vrijdag- en zondagavond
• MADENZAK een performance van zangeres Cora Schmeiser en theatergroep Hotel Modern (Pauline Kalker en Herman Helle) op het tuinterras
• Op vrijdag- en zondagavond een introductie microbiologische kunstklimatologie door Wim van Egmond, conservator van het befaamde Micropolitan Museum
• Een besloten finissage in en om de compostbak
Alles wijst erop dat in de tentoonstelling gelijktijdig twee begrippen zijn ondergebracht, die slechts oppervlakkig met elkaar te maken hebben. De begrippen mest en vergaan. Compost staat voor het behoud van energie in een eeuwige cirkelgang van kiemen, bloeien, vrucht dragen en vervallen. Compost is voedsel voor de vorm die zelf weer tot voedsel zal dienen enzovoort tot alles in elkaar grijpt. Het universum als een stationaire beweging.
Vergankelijkheid is geen tredmolen maar drama. Vergankelijkheid roept het verhaal op, de herinnering, de weeklacht, het verzet, de rouw. Vergankelijkheid is het geloste schot voor de inslag.
Concreter of persoonlijker dan aan eigen bron kan ik de vergankelijkheid niet ervaren. Omdat de compostering al in de tentoonstelling begrepen is, ligt er nog maar één weg open. Ik moet mijn actuele "stellvertretendes Bildnis" aanbieden om het na drie dagen te laten kuipen. Aan het begin van de Goede week lijkt het me passend om in dit verband de Mensenzoon en Opper-composteur aan te halen; "Hic est corpus meus".
Het bestuderen van de beeldende kunst is eeuwenlang een subjectieve wetenschap geweest. Kunsthistorici werden daardoor binnen de zuivere wetenschap nooit helemaal serieus genomen. Onlangs is daar echter verandering in gekomen door de introductie van een nieuwe objectieve wetenschap: Microbial Art Climatology, de microbiologische kunstklimatologie. Na jarenlange studie en het ontwikkelen van geavanceerde technologie is het eindelijk mogelijk kwantitatief onderzoek te doen naar de verborgen betekenis van kunst. Voor het eerst in de geschiedenis zijn we in staat de kwaliteit van kunstwerken onomstotelijk vast te stellen. Door het toepassen van de microbiologische kunstklimatologische methodiek zult u nooit meer voor vragen komen te staan als: 'Waar sta ik in hemelsnaam naar te kijken?' of 'Wat heeft dit nu weer te betekenen?'
[...] De praktijk van het microbiologische kunstklimatologiseren vangt aan bij het te water laten (het submergeren) van (een fragment van) de kunstwerken in een omgeving met veel micro-organismen (slootwater). Micro-organismen zullen zich in groten getale in en op het kunstwerk nestelen en hiermee de sleutel vormen voor de microbiologische kunstklimatologische analyse. Het type organisme dat op het werk afkomt zal uiteindelijk de kwaliteit van het kunstwerk bepalen.[...] Het determineren is het meest wezenlijke onderdeel van de microbiologische kunstklimatologie. Het dient met grote zorgvuldigheid te geschieden. Als je bij wijze van spreken nog geen Ciliaat van een Gastrotrich kan onderscheiden zal het onmogelijk blijken een goede 'hard edge' en een wat mindere 'colourfield painting' uit elkaar te houden. Met een foutieve determinatie kan grote schade aangericht worden binnen museumcollecties en privéverzamelingen. Uiteindelijk kunnen de gevolgen voor het verloop van de kunstgeschiedenis niet te overzien zijn. De determinerende kunstklimatoloog dient zich terdege van zijn zware verantwoordelijkheden bewust te zijn. [...]
(from: MICROBIAL ART CLIMATOLOGY Publication by Wim van Egmond published by Quartair Verlag)
01. ANULI CROON – Z. T. (2005)
Op het werk van deze kunstenares vonden we een zeer bijzondere microbiologische kunstklimatologische soort, de Euglena, het welbekende oogdiertje. Deze met een zweephaar en lichtgevoelige oogvlek uitgeruste protist komt men nooit tegen op unica. De Euglena voelt zich uitsluitend tot multiples (een oplage van 2 is daarbij al voldoende) aangetrokken. Over de kwaliteit van de voorstelling doet het oogdiertje geen uitspraken. De aanwezigheid van een beginnende bacteriëngroei geeft reden voor enige ongerustheid. Misschien is het beter om in de toekomst minder gebruik van druktechnieken te maken. Er gaat toch niets boven de directe emotieoverdracht van pen of penseel. Aldus de immer kritische maar o zo objectieve micro-organismen die deelnamen aan deze analyse.
02. NOËLLE CUPPENS – ÉCRIRE (2005)
Dit is een werkstuk waar de microben veel moeite mee hebben. Het zou kunnen zijn dat de microbiologische kunstklimatologische indicatorsoorten weinig begrip hebben van het geschreven woord. Hoe dan ook, op dit kunstwerk was geen enkel micro-organisme te vinden. Wel vonden we beginnende schimmelvorming. Dit kan een teken van aparte klasse zijn. Maar misschien is het beter als de kunstenaar de taal overlaat aan de dichters en zich voortaan wat meer op de voorstelling zal gaan richten, zodat de micro-organismen meer eer van hun werk zullen hebben.
03. RON VAN DER ENDE – PARKEERGARAGE/PARKING GARAGE (2005)
Een smeuïge melange van snelle ciliaten, energieke raderdiertjes beoordelen deze tekening als een figuratieve uiting van flitsende klasse. De raderdiertjes benadrukken de transparantie, de ciliaten de luchtigheid en dwingen ons niet te vergeten dat er naast een humoristische ook een morbide kant aan dit kunstwerk zit. Toch zijn er naast dit positieve kwaliteitsoordeel een paar kanttekeningen te plaatsen. Een enkele aangetroffen diatomee, in dit geval Cymatopleura solea, kan als een kleine waarschuwing gezien worden. Er is een lichte neiging tot onnodige esthetiek te bespeuren. Eén Cymatopleura solea kan er nog mee door, maar wanneer in de toekomst meer diatomeëen op het werk van deze kunstenaar gevonden zullen worden, zal er toch een kleine, meer inhoudelijke koerswijziging plaats moeten vinden. Er is niets tegen esthetiek maar die moet wel verantwoord zijn, volgens de juiste verhouding der indicatorsoorten.
04. MARIANNE FONTEIN – DIT STUK MUUR IS NIET VAN [LANGE] DUUR (2005)
Op het kunstwerk van deze artieste vonden we tal van kiezelwier-kolonies. Een duidelijker aanwijzing voor esthetische kunst kan men bijna niet vinden. Netjes gerangschikt in microscopisch kleine rijen hebben deze diatomeëen zich in de vezels van het papier van deze tekening verankerd. Dit is een voorbeeld van verantwoorde esthethiek. Er is geen sprake van diatomeëen in combinatie met ciliaten en rotiferen (:fout), maar van een pure monocultuur van Fragilaria (:zeer goed!).
05. ANNELIES DE GREEF – Z. T. (2005)
De determinatie van de microbiologische kunstklimatologische indicatorsoorten die zich aan dit werkstuk gehecht hadden gaf een probleem. Er waren zo veel verschillende klassen bij elkaar te vinden dat er twijfels rezen of er hier geen sprake was van fraude. Misschien was de afbeelding behandeld met een frauduleuze voedingsbodem (agar agar) waardoor tal van soorten zich ondanks de voor hen niet geschikte beeldende kwaliteiten toch aangetrokken voelden tot dit kunstwerk. Een andere mogelijkheid, en laten we in dit geval maar van de goede bedoeling van de artiest uitgaan, is dat de combinatie van het non-figuratieve grid waarop een hiermee contrasterende voorstelling was aangebracht de diverse soorten heeft doen duizelen.
06. JOANNES HOES – O.V.T. (2005)
Het mosselkreeftje (Ostracoda) is een onomstotelijk bewijs dat we hier te maken hebben met een degelijk en stevig kunstwerk. Kunst bevolkt door dit type indicator-organisme blijkt op de lange termijn zeer waardevast, maar alleen in combinatie met de juiste overige indicatorsoorten. In dit geval vonden we een prachtige Closterium (sieralg) en daaruit kunnen we concluderen dat de kwaliteit van dit kunstwerk zeer optimaal is. Bij een volgende keer toch maar even goed nadenken voordat we iets dergelijks aan de composthoop toevertrouwen!
07. LIDY JACOBS – KONIJNENSÉÉN (2005)
Op de tekening van deze artieste vonden we één roeipootkreeftje (copepode) met twee grote eierpakketten. Hoewel de copepodes niet op de meest hoogstaande kunst voorkomen moeten we toch concluderen dat we hier te maken hebben met een zeer vruchtbare kunstuiting. Wanneer de analyse een week later was gemaakt, hadden we het nageslacht van copepode in de vorm van ontelbare naupliuslarven razendsnel door de afbeelding kunnen zien schieten.
08. MAARTEN JANSSEN – 12 UUR NACHT (2005)
Dit werk trok na het submergeren in ons proefstation vooral staafvormige (Pinnularia) diatomeëen en een enkele sieralg (Closterium) aan. Dit zijn organismen die een onwaarschijnlijke aantrekkingskracht uitoefenen op vooral apollinische, abstractie minnende soorten. Het was ook niet gemakkelijk om ze met het pipet van de afbeelding te verwijderen. Heel mooi en schoon werk, vooral gezien vanuit het protistische (ééncellige) oogpunt.
09. HARRIËT VAN REEK – CORA ZINGT DE LENTE TOE, MAAR WINTER HANGT EEN LAP VOOR HAAR OGEN (2005)
We hadden er niet veel later bij moeten zijn. De watervlooien (die gezellige kunst indiceren) waren al bijna helemaal verorberd door massa's trilhaardiertjes (ciliaten). Dit illustreert het belang van het op gezette tijden observeren van het gesubmergeerde kunstwerk. Wanneer we een paar dagen later gekeken hadden hadden we geen uitsluitsel meer kunnen krijgen over de precieze betekenis van dit kunstwerk. De combinatie van watervlo met trilhaardier staat garant voor een luchtig en toch doorleefde figuratie.
10. AGNES ROOTHAAN – LATER ALS IK DOOD BEN (2005)
De op het kunstwerk aangetroffen watervlo Daphnia longispina doet ons vermoeden dat het hier een gezellig, niet al te diepgaand kunstwerk betreft. maar de kleine ciliaten die tevens door de afbeelding aangetrokken werden zorgen ervoor dat we dit toch als een meer dan middelmatig werk mogen beschouwen. Met vergelijkbare indicator soorten als in het werk van Van Reek, maar doordat het net een andere verhouding watervlo-trilhaardier heeft is dit werk als minder licht en minder levendig te beschouwen.
11. MACHIEL VAN SOEST – JEDEM DAS SEINE (Ieder het Zijne) (2005)
Op het werkstuk van deze kunstenaar was een bijzondere ciliaat te vinden: Halteria. Dit zgn. onrustdiertje staat evenals de andere ciliaten (trilhaardiertjes) voor flitsende kunst, maar in het geval van Halteria had het wel een beetje minder gemogen. Er is geen afbeelding van Halteria beschikbaar, het organisme was helaas te snel om op de gevoelige plaat vast te leggen. gelukkig hebben we de ciliaat Litonotus bereid gevonden om te demonstreren op wat voor karakteristieke wijze een ciliaat zich door een kunstwerk beweegt.
12. GEERTEN TEN BOSCH – ONTPLOFFEN (2005)
Roeipootkreeftjes (Copepoda) en raderdiertjes (Rotifera) in diverse soorten en maten. Hoewel de roeipootkreeftjes ons tot voorzichtigheid manen kunnen we er van uitgaan dat dit tijdens het korte bestaan van het werkstuk zeer levendige kunst is geweest. Delicaat met een grote vormenrijkdom, kenmerkend door de transparante helderheid, aldus de raderdiertjes.
13. MICHEL WIEGGERS – TOT STOF (2005)
Een combinatie van draadalgen (Chlorophyta) en kiezelwieren (Diatomeëen) doet niet veel goeds vermoeden. De draadalgen duiden op wat langdradig werk en de kiezelwieren kunnen we vinden op zeer esthetische non-figuratieve kunst. Maar we troffen ook een stel klokdiertjes aan. Deze peritriche ciliaten (trilhaardiertjes) leiden in tegenstelling tot andere soorten trilhaardiertjes een sessiel bestaan. Ze zitten door middel van een steeltje vast aan het kunstwerk. Door de aanwezigheid van de klokdiertjes kunnen we dus stellen dat we te maken hebben met een kunstwerk dat in beginsel tot de Dionysische abstracte, zelfs flitsende kunst gerekend zou kunnen worden. Maar dan moet de kunstenaar zich in het vervolg toch meer van zijn figuratieve kant laten zien.
CONCLUSIE
Tot slot is het belangrijk dat de kwaliteit van dit onderzoek gewaarborgd is. Bewijs voor de juiste analyse van deze kunstwerken kwam uit de vondst van een aantal soorten in het bemonsteringsreservoir die niet op de kunstwerken aangetroffen zijn. We vonden een oligochaete worm aan (Stylaria) die doorgaans alleen aangetroffen wordt in de schaduwpartijen van landschapschilderijen. Op geen van de gesubmergeerde werken was een landschap afgebeeld. Ook de haftenlarve werd op geen van de tekeningen aangetroffen. Dit komt volledig met de verwachtingen overeen. De haftelarve is zoals bekend een carnivore insekten larve die we vrijwel uitsuitend op impressionische olieverf doeken vinden.
EPILOOG
Tussen de werken op deze tentoonstelling vonden we geen echte topstukken. Er werden geen goudalgen aangetroffen. Toch was de kwaliteit bemoedigend. Het bemonsteringsreservoir is niet in een onwelriekende zwavelbacteriënsoep veranderd. Dit geeft hoop voor de toekomst. Mede dankzij de microbiologische kunstklimatologie heeft het publiek nu de garantie dat het niet voor niets in groten getale naar de tentoonstelling is komen kijken. Ook de kunstenaars hebben door deze analyse een microbiologisch hart onder de riem gekregen. Zuiver wetenschappelijk en objectief verkregen zelfinzicht met een waarachtigheid waarvan ze alleen maar hebben durven dromen. We zijn blij dat we ze een middel hebben aangereikt waarmee ze hun carrière op een hoger plan hebben kunnen tillen.
Wim van Egmond,
microbiologisch kunstklimatoloog
Gids bij de tentoonstelling 'COMPOSED COMPOST'. Laserprint, afmetingen (b x h): 148 x 210 mm, 8 pagina's. Oplage: 150 stuks. © 2005, Rotterdam, Arnold Schalks.